Overal in de wereld wordt onderzoek gedaan naar vaccins tegen het nieuwe coronavirus (SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2). Als er in de toekomst een vaccin is, zal het ministerie van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport  onder andere de Gezondheidsraad en het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu om advies vragen bij de keuze  van het vaccin dat in Nederland gebruikt zal worden. Het RIVM coördineert de bestrijding van infectieziekten in Nederland. 

Vaccin ontwikkelen een langdruig proces

Het is moeilijk om te zeggen wanneer er een werkend vaccin tegen het nieuwe coronavirus is. Het duurt lang om een vaccin tegen een nieuwe infectieziekte te ontwikkelen, al snel 5 tot 10 jaar. Voor COVID-19 worden alle zeilen bijgesteld om het vaccin sneller te ontwikkelen. Maar voordat je een goed werkend vaccin kunt ontwikkelen, is er veel onderzoek nodig naar het virus zelf. Daarnaast moet klinisch worden onderzocht of het mogelijke vaccin veilig is en echt werkt bij mensen. Dit alles neemt veel tijd in beslag. 

Meer dan 100 vaccins in ontwikkeling

In totaal zijn er meer dan 100 verschillende vaccins tegen SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2 in ontwikkeling. Een klein aantal daarvan is zover ontwikkeld dat de vaccins getest kunnen worden bij mensen (klinisch onderzoek). Dit klinisch onderzoek is onderverdeeld in drie fasen. De fasen moeten allemaal goed afgerond worden, maar kunnen wel op hetzelfde moment plaatsvinden.  Vooral als er snel een vaccin nodig is, zoals bij het nieuwe coronavirus het geval is.

De drie fasen van klinisch onderzoek:

  • Fase I: Bij gezonde vrijwilligers wordt gekeken of het vaccin veilig is en welke dosering (hoeveelheid) het beste werkt.
  • Fase II: Bij doelgroepen die het vaccin zullen ontvangen, wordt gekeken welke dosering (hoeveelheid) het beste werkt en hoe goed het afweersysteem erop reageert.
  • Fase III: In een nog grotere groep van wel duizenden personen wordt gekeken hoe goed het vaccin werkt om COVID-19 te voorkomen. Mensen die het vaccin wel krijgen worden dan vergeleken met mensen die het vaccin niet kregen.  

Pas als alle fasen goed en met succes zijn afgerond, kan het vaccin op de markt gebracht worden. Dan kan het worden gebruikt in de huisartspraktijken of vaccinatiebureaus.

Hoe werken vaccins?

Er zijn 5 verschillende soorten vaccins. Elke soort werk op een andere manier. 

1: Levend verzwakte vaccins

Sommige vaccins tegen andere infectieziekten zijn gebaseerd op verzwakte versies van een virus. Dat noemen we levend verzwakte vaccins. 
De virussen worden door groei in cellen in een laboratorium zwak en minder ziekmakend gemaakt en daarna verwerkt in een vaccin. Als mensen dan via vaccinatie in contact komen met deze verzwakte virussen, kan het virus zich slecht in de mens vermedigvuldigen. Dat zorgt ervoor dat ons afweersysteem genoeg tijd krijgt om te leren vechten tegen dit verzwakte virus. Zo worden we immuun, zonder dat we ziek worden.

2: Geïnactiveerde vaccins

In geïnactiveerde vaccins zitten gedode virussen of bacteriën, of stukjes ervan. Als ons afweersysteem deze dode virussen of bacteriën of de stukjes ervan ziet, kan het de stukjes leren herkennen. Hierna zijn we beschermd. Als we in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie herkent ons afweersysteem het virus  en worden we niet ziek.

3: Subeenheidvaccins

Een vaccin dat alleen heel specifieke stukjes van een virus of bacterie bevat, noemen we een subeenheidvaccin. Als het afweersysteem zo’n subeenheid kan herkennen, wordt het ook wel een antigeen genoemd.
Voor bescherming tegen COVID-19 wordt er veel onderzoek gedaan naar subeenheidvaccins, Een belangrijke subeenheid van SARS-CoV-2 is het zogenoemde S(pike)-eiwit. Dit eiwit zit vast aan de buitenkant van het virus. Met het S-eiwit maakt het virus contact met een ander eiwit dat in de buitenkant zit van de cellen in onze longblaasjes. Als het virus zich via het S-eiwit vastmaakt aan een menselijke cel kan het virus de cel binnendringen. Dan is de cel geïnfecteerd.  Omdat het S-eiwit zo’n belangrijke rol speelt bij infectie, is dat het doelwit waar veel vaccinontwikkelaars zich op richten. Als we in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie, dan herkent ons afweersysteem het virus meteen en worden we niet ziek.

4: DNAdeoxyribonucleic acid- en RNAribonucleic acid-vaccins

DNA- en RNA-vaccins voegen een nieuw stuk DNA of RNA toe aan bepaalde afweercellen in ons lichaam. Vaak zijn dat een speciaal soort afweercellen, die een virus of bacterie opnemen en afbreken. De afweercellen die een virus of bacterie hebben afgebroken, laten een stukje van het virus of de bacterie (subeenheid of antigeen genoemd) aan andere afweercellen zien om het antigeen te leren herkennen. Daarom heten deze afweercellen ook wel  antigeen-presenterende cellen. De cellen die het antigeen leren herkennen, heten lymfocyten.
DNA- en RNA-vaccins zorgen ervoor dat de antigeen-presenterende cellen een stukje van het virus kunnen laten zien zonder dat  de cel de levende versie van het virus of de bacterie eerst heeft moeten opnemen en afbreken. Als we daarna in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie, herkennen de lymfocyten het antigeen van het virus of bacterie al en worden we niet ziek.

Er zijn ook DNA- en RNA-vaccins die in plaats van afweercellen gebruikmaken van 'gewone' lichaamscellen. Ook deze cellen presenteren het antigeen aan ons afweersysteem wat ervoor zorgt dat we niet ziek worden als we echt besmet raken. 
Deze DNA- en RNA- technieken zijn nieuw, en voor nog geen enkele menselijke ziekte is een DNA- of RNA- vaccin goedgekeurd. Voor dieren is al wel een aantal DNA-vaccins met succes in gebruik.

5: Vectorvaccins

Onderzoekers kunnen bestaande virussen aanpassen zodat ze als vaccin werken. Dan zijn het geen virussen meer, maar vectoren. De virussen zijn zo aangepast dat ze zich maar weinig als virus gedragen. Het verschil met de echte virussen is dat vectorvirussen:

  • niet meer iemand ziek kunnen maken;
  • (vaak) zichzelf niet kunnen vermeerderen, en; 
  • behalve RNA of DNA van zichzelf ook een stuk RNA of DNA van een ander virus bij zich hebben. Alle stukken RNA of DNA kunnen werken als antigeen, zodat de cellen uit ons afweersysteem reageren op het vectorvirus én op een onderdeel van het vaccinvirus. Zo ontstaat immuniteit.

Virussen die vaak worden aangepast tot een vector zijn de adenovirussen. Adenovirussen zijn een groep virussen waar mensen vaak aan blootgesteld worden, maar die geen of alleen maar milde ziekte veroorzaken. Adenovirussen komen veel voor. Daardoor weet ons afweersysteem goed hoe het een adenovirusinfectie moet aanpakken.

Vaccins in klinische fase

De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Microbiologie (KNVM) houdt elke week bij hoe het gaat met de ontwikkeling van vaccins die in de klinische fase zitten.