Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu bereidt zich voor op de uitvoering van de coronavaccinatie. 

Algemene informatie

Ga voor algemene informatie over de vaccinatie tegen het coronavirus naar Rijksoverheid.nl

Informatie professionals

Vaccinatie profs

Informatie voor uitvoerders betrokken bij de COVID-19-vaccinatie

Stand van zaken vaccinatie COVID-19 

Op 25 november organiseerde het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een bijpraatsessie voor de pers over de laatste stand van zaken rond COVID-19-vaccinatie. 
Zie Compilatievideo bijpraatsessie Vaccinatie COVID-19 

Wat doet het RIVM?

  • Artsen informeren over het toedienen van vaccins
  • Veilige opslaglocaties verzorgen en het vervoer en de distributie regelen
  • Een landelijk registratiesysteem ontwikkelen
  • Begrijpelijke informatie verzorgen voor iedereen in Nederland.

We werken hiervoor uiteraard samen met o.a. vervoerders en organisaties uit de gezondheidszorg.

Wie wordt als eerste gevaccineerd?

Zodra de coronavaccins worden geleverd, kunnen de eerste groepen worden gevaccineerd. 
In eerste instantie krijgen deze mensen de vaccinatie:

  • Ouderen vanaf 60 jaar
  • Mensen die tot een medische risicogroep horen
  • Zorgmedewerkers die direct contact hebben met deze groepen.

Dat heeft de minister van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport  besloten op op basis van het advies van de Gezondheidsraad
Uiteindelijk komt de vaccinatie voor iedereen beschikbaar.

Ontwikkeling van vaccins

In totaal zijn er meer dan 100 verschillende vaccins tegen SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2 in ontwikkeling. Lees meer over de ontwikkeling van het vaccins tegen het coronavirus op de site van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) .

Hoe werken vaccins?

Er zijn 5 verschillende soorten vaccins. Elke soort werkt op een andere manier. 

Sommige vaccins tegen andere infectieziekten zijn gebaseerd op verzwakte versies van een virus. Dat noemen we levend verzwakte vaccins. 
De virussen worden door groei in cellen in een laboratorium zwak en minder ziekmakend gemaakt en daarna verwerkt in een vaccin. Als mensen dan via vaccinatie in contact komen met deze verzwakte virussen, kan het virus zich slecht in de mens vermedigvuldigen. Dat zorgt ervoor dat ons afweersysteem genoeg tijd krijgt om te leren vechten tegen dit verzwakte virus. Zo worden we immuun, zonder dat we ziek worden.

In geïnactiveerde vaccins zitten gedode virussen of bacteriën, of stukjes ervan. Als ons afweersysteem deze dode virussen of bacteriën of de stukjes ervan ziet, kan het de stukjes leren herkennen. Hierna zijn we beschermd. Als we in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie herkent ons afweersysteem het virus  of de bacterie en start een versnelde reactie om ons tegen besmetting te beschermen. Als gevolg daarvan worden we niet ziek.

Een vaccin dat alleen heel specifieke stukjes van een virus of bacterie bevat, noemen we een subeenheidvaccin. Als het afweersysteem zo’n subeenheid kan herkennen, wordt het ook wel een antigeen genoemd.
Voor bescherming tegen COVID-19 wordt er veel onderzoek gedaan naar subeenheidvaccins, Een belangrijke subeenheid van SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2 is het zogenoemde S(pike)-eiwit. Dit eiwit zit vast aan de buitenkant van het virus. Met het S-eiwit maakt het virus contact met een ander eiwit dat in de buitenkant zit van de cellen in onze longblaasjes. Als het virus zich via het S-eiwit vastmaakt aan een menselijke cel kan het virus de cel binnendringen. Dan is de cel geïnfecteerd.  Omdat het S-eiwit zo’n belangrijke rol speelt bij infectie, is dat het doelwit waar veel vaccinontwikkelaars zich op richten. Als we in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie, dan herkent ons afweersysteem het virus meteen en worden we niet ziek.

DNAdeoxyribonucleic acid- en RNAribonucleic acid-vaccins voegen een nieuw stuk DNA of RNA toe aan bepaalde afweercellen in ons lichaam. Vaak zijn dat een speciaal soort afweercellen, die een virus of bacterie opnemen en afbreken. De afweercellen die een virus of bacterie hebben afgebroken, laten een stukje van het virus of de bacterie (subeenheid of antigeen genoemd) aan andere afweercellen zien om het antigeen te leren herkennen. Daarom heten deze afweercellen ook wel  antigeen-presenterende cellen. De cellen die het antigeen leren herkennen, heten lymfocyten.
DNA- en RNA-vaccins zorgen ervoor dat de antigeen-presenterende cellen een stukje van het virus kunnen laten zien zonder dat  de cel de levende versie van het virus of de bacterie eerst heeft moeten opnemen en afbreken. Als we daarna in de toekomst besmet worden door de levende versie van het virus of de bacterie, herkennen de lymfocyten het antigeen van het virus of bacterie al, neutraliseren het virus of de bacterie en worden we niet ziek.

Er zijn ook DNA- en RNA-vaccins die in plaats van afweercellen gebruikmaken van 'gewone' lichaamscellen. Ook deze cellen presenteren het antigeen aan ons afweersysteem wat ervoor zorgt dat we niet ziek worden als we echt besmet raken. 
Deze DNA- en RNA- technieken zijn nieuw, en voor nog geen enkele menselijke ziekte is een DNA- of RNA- vaccin goedgekeurd. Voor dieren is al wel een aantal DNA-vaccins met succes in gebruik.

Onderzoekers kunnen bestaande virussen aanpassen zodat ze als vaccin werken. Dan zijn het geen virussen meer, maar vectoren. De virussen zijn zo aangepast dat ze zich maar weinig als virus gedragen. Het verschil met de echte virussen is dat vectorvirussen:

  • niet meer iemand ziek kunnen maken;
  • (vaak) zichzelf niet kunnen vermeerderen, en; 
  • behalve RNAribonucleic acid of DNAdeoxyribonucleic acid van zichzelf ook een stuk RNA of DNA van een ander virus bij zich hebben. Alle stukken RNA of DNA kunnen werken als antigeen, zodat de cellen uit ons afweersysteem reageren op het vectorvirus én op een onderdeel van het vaccinvirus. Zo ontstaat immuniteit.

Virussen die vaak worden aangepast tot een vector zijn de adenovirussen. Adenovirussen zijn een groep virussen waar mensen vaak aan blootgesteld worden, maar die geen of alleen maar milde ziekte veroorzaken. Adenovirussen komen veel voor. Daardoor weet ons afweersysteem goed hoe het een adenovirusinfectie moet aanpakken.