Bedrijfsmatige bronnen die bijdragen aan luchtverontreiniging kennen een grote variëteit in type en omvang. De uitstoot, en daarmee de gezondheidsrelevantie, van deze bronnen varieert daarom in grote mate. Hier wordt kort ingegaan op enkele hoofdcategorieën binnen de bedrijfsmatige bronnen: industrie, veehouderij en mobiele werktuigen.

Blootstelling

Industrie is voor veel componenten van luchtverontreiniging (een van) de belangrijkste bronnen in Nederland (zie Bronnen per component van luchtverontreiniging). Lokaal kan een industrieel bedrijf verantwoordelijk zijn voor hoge concentraties van specifieke stoffen. De belangrijkste chemiegebieden in Nederland zijn Rotterdam (inclusief Botlek, Pernis, Moerdijk; basis- en petrochemie en aanverwant), Zuid-Limburg (Chemelot; DSM, ‘life-science’), Zuidwest Brabant/Zeeland (Bergen op Zoom, Roosendaal, Terneuzen, Zeeuws Vlaanderen; basis- en petrochemie, energie), Delfzijl/Eemshaven (energie, recycling, chemie, metaal, logistiek, offshore en windenergie) en in beperkter mate Twente (smart materials) (bron: VNCI,). Andere bekende grote industriële vervuilers zijn de basismetaalindustrie in de IJmond en de energiecentrales op fossiele brandstoffen verspreid door het land.
De uitstoot is erg afhankelijk van de bedrijfstak (en -proces) maar ook van de inrichting van het specifieke bedrijf, het is daarom niet mogelijk om in generieke zin iets te zeggen over de mate van uitstoot door industrie.

Ter illustratie van de uitstoot van diverse branches is in de Figuur  Emissies per branche, een emissie-inventarisatie over 2015 in het Rijnmondgebied (DCMRMilieudienst Rijnmond, (Schenk 2016)) opgenomen. In de nabijheid van industriële bronnen kunnen daardoor voor specifieke componenten (zoals bijvoorbeeld SO2) concentraties voorkomen die hoger zijn dan de wettelijke normen of WHO advieswaarden.

CO2-emissies, SO2-emissie, ammoniakemissie, carcinogeenemissie, kws-emmissies, nox-emissies, fijn stof en totaal stofemissies

Figuur: Emissies per branche (in de Rijnmond) in 2015 (DCMR (Schenk 2016). Op de y-as staan van boven naar onder de volgende categorieën: overig, raffinaderijen, natte bulk, energie en utilities, droge bulk, chemie en afvalverbranding. De x-as geeft de emissie in ktonkiloton per jaar weer.

GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Amsterdam heeft in 2015 in opdracht van de Provincie Noord-Holland een achtergrondrapportage opgesteld waarin de samenstelling van fijn stof in de IJmondregio (nabij de staalindustrie in Wijk aan Zee) wordt besproken en ook de gezondheidskundige relevantie wordt geduid (Nijhuis and Van Strien 2015). De rapportage bevat veel achtergrondinformatie over (zware) metalen, zouten, PAK’s en andere gemeten componenten van fijn stof die mogelijk ook in andere industriële gebieden relevant kan zijn.

Gezondheidseffecten

Nabij de bovenvermelde industriegebieden kan flinke ongerustheid spelen omtrent de uitstoot van de bedrijven. Naast hinder door stof en/of geur kunnen er ook gezondheidsrelevante concentraties van luchtverontreinigende stoffen optreden. Gezondheidsonderzoek uitgevoerd rondom industriële bronnen is sterk casuïstisch van aard, en niet of nauwelijks van toepassing voor andere regio’s. Nederlandse voorbeelden zijn de situaties rond Moerdijk (Geelen 2013; Geelen et al. 2013) en Dupont/Chemours in Dordrecht (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 2018c). Een achtergrondrapportage bij luchtmetingen in de IJmondregio gaat specifiek in op de gezondheidsrelevantie van allerlei gemeten componenten van fijn stof (Nijhuis and Van Strien 2015), en kan mogelijk ook relevant zijn bij de interpretatie van luchtkwaliteitsgegevens in andere industriële gebieden.

Beleid

Industriële bedrijven moeten voldoen aan Europese en Nederlandse emissierichtlijnen en voorschriften omtrent te gebruiken methoden en technieken. In de GGD-praktijk spelen vaak vooral zaken rondom informatievoorziening en klachtenafhandeling. Beleidsmatig leidt dit tot initiatieven als ‘omgevingstafels’ en het, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag en/of het bedrijf, optimaliseren van het klachtenafhandelingsproces.
In geval van casuïstiek waarbij omwonenden gedurende langere tijd aan gezondheidsrelevante concentraties blootgesteld zijn, kan de GGD een rol spelen in de uitvoering/begeleiding van een nader gezondheidsonderzoek (zie hierboven voor enkele Nederlandse voorbeelden) en het bevoegd gezag adviseren over (het belang van) maatregelen.

Blootstelling

Veehouderijen zijn een bron van fijn stof, zowel direct uit de stal (primair fijn stof) als via de uitstoot van ammoniak (secundair fijn stof Primair fijn stof bestaat uit bodemdeeltjes, mestdeeltjes, voerdeeltjes, huidschilfers, deeltjes van veren en haren. Ook endotoxinen en micro-organismen maken onderdeel uit van het mengsel. Dit primaire fijn stof verhoogt de fijn stof concentraties met name in de directe omgeving van veehouderijen. In Nederland wonen veel mensen op korte afstand van veehouderijen . Recent onderzoek heeft laten zien dat pluimveehouderijen meer primair fijn stof uitstoten dan varkenshouderijen (Maassen et al. 2016). Kalverbedrijven en melkvee- en vleesveebedrijven stoten minder fijn stof uit dan varkens- en pluimveehouderijen. Binnen pluimveehouderijen zijn grote verschillen. Scharrel en volièresystemen stoten ongeveer tien keer meer fijn stof uit dan legpluimveehouderijen (Kennisplatform_Veehouderij_en_humane_gezondheid 2018).
Naast het type bedrijf, speelt ook de bedrijfsvoering en de grootte van het bedrijf een grote rol bij de uitstoot van fijn stof. Er zijn verschillende technieken om de uitstoot van fijn stof door veehouderijen terug te dringen. In 2016 is een overzicht van deze technieken opgesteld (Winkel et al. 2016).
Veehouderijbedrijven leveren via uitstoot van ammoniak ook een belangrijke bijdrage aan de vorming van secundair fijn stof. De vorming van secundair fijn stof neemt enige tijd in beslag. In die tijd kan het zich gelijkmatig en over grote afstanden, als een deken over het land, verspreiden (Gezondheidsraad 2018b).

Gezondheidseffecten

Er is veel minder bekend over gezondheidseffecten van fijn stof afkomstig van veehouderijen dan van verkeer. In Nederland zijn recent enkele onderzoeken gedaan (Freidl et al. 2017; Maassen et al. 2016; Smit et al. 2017) en heeft de Gezondheidsraad verschillende adviezen over dit onderwerp uitgebracht (Gezondheidsraad 2012; Gezondheidsraad 2018a). Dit onderzoek laat zien dat mensen die binnen 1 kmkilometer van een pluimveehouderij wonen, meer longontstekingen hebben. Men vermoedt dat longontstekingen bij pluimveehouderijen gerelateerd zijn aan stofdeeltjes bij de pluimveebedrijven en mogelijk endotoxines of andere bestanddelen van dit stof. Hierdoor zou de keelflora kunnen veranderen. Mensen die binnen 2 km van een geitenhouderij wonen hebben ook een verhoogde kans op longontsteking. Daarnaast hebben mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën en minder COPDchronic obstructive pulmonary disease, maar bij COPD patiënten zijn wel meer complicaties. Van de meeste effecten is niet bekend of en in welke mate deze worden veroorzaakt door fijn stof, endotoxinen, zoönosen of andere blootstellingen die samenhangen met veehouderijen. Ook werd een verband gevonden tussen dagen met een hoge ammoniakconcentratie in het hele onderzoeksgebied en een lagere longfunctie. Het effect van veehouderijen op de longfunctie is in omvang vergelijkbaar met de longfunctievermindering in stedelijke populaties als gevolg van verkeersblootstelling (Gezondheidsraad 2018b; Maassen et al. 2016). Waarschijnlijk wordt het effect niet door ammoniak veroorzaakt, maar mogelijk door secundair fijn stof dat gevormd wordt doordat ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert.

Beleid

Het wettelijk kader rondom veehouderijen wordt besproken in de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Richtlijn Veehouderij (ten tijde van het schrijven van deze richtlijn in voorbereiding). Er zijn gemeenten en provincies met aanvullend beleid om gezondheidseffecten van veehouderijen te beperken. De rol van de GGD bij de totstandkoming en uitvoering van dit beleid, en overige advisering door de GGD, komen nader aan bod in de GGD Richtlijn Veehouderij.
De Werkgroep Veehouderij van de Vakgroep Milieu en Gezondheid (GGD GHORGeneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio Nederland) heeft in de afgelopen jaren verschillende standpunten over veehouderij uitgebracht.
In het Kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid werken kennis- en praktijkorganisaties waaronder GGD’en samen aan het bundelen, duiden en ontsluiten van kennis over veehouderij en de gezondheid van mensen. Via de site van het kennisplatform wordt deze kennis gedeeld.

Blootstelling

Mobiele werktuigen (zoals hijskranen, tractoren, aggregaten, graafmachines, bulldozers) worden veel toegepast in de bouw en landbouw. De uitstoot van deze mobiele werktuigen is fors: volgens het CBSCentraal Bureau voor de Statistiek stootten mobiele werktuigen in 2015 18,8 miljoen kilo NOx uit en 1,17 miljoen kilo PM10fijnstof. Ter vergelijking: de uitstoot van het totale wegverkeer in Nederland werd in 2015 geschat op 75,5 miljoen kilo NOx en 4,7 miljoen kilo PM10. Dat betekent dat de uitstoot van mobiele werktuigen in Nederland 25% bedraagt van die van het wegverkeer voor zowel NOx als PM10 (CBS 2018).
Mobiele werktuigen gebruiken veelal diesel als brandstof. De emissies van mobiele werktuigen zijn afhankelijk van de emissienormen die van toepassing zijn op het desbetreffende mobiele werktuig (stageklassen)(Dieselnet 2018).

De Europese regelgeving voor mobiele werktuigen loopt ver achter op die voor het wegverkeer. In 2016 is de Europese Commissie akkoord gegaan met het aanscherpen van de emissie-eisen voor mobiele werktuigen (Stage V). Deze waren sinds 2004 niet meer aangescherpt. Vanaf 2020 zal de uitstoot van alle nieuwe mobiele werktuigen daarom lager zijn. Hoe snel dat leidt tot afname van de uitstoot door mobiele werktuigen is afhankelijk van de snelheid waarmee het materieel wordt vervangen. Een overzicht van de huidige en toekomstige emissie-eisen is te vinden op de website van de Europese Commissie (Europese_Commissie 2016).
De emissie door mobiele werktuigen wordt door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu meegenomen in de berekening van de grootschalige achtergrondconcentratie (GCNGrootschalige Concentratiekaarten Nederland, 1x1 kmkilometer) maar de lokale bijdrage van deze bron aan de concentraties op leefniveau is niet bekend. Vanzelfsprekend hangt dit af van de emissie-kenmerken van de bron, de duur van de uitstoot en de afstand tot de bron. Zo komt het regelmatig voor dat dieselaggregaten wekenlang vlakbij de gevel van woningen worden opgesteld vanwege (ver)bouwwerkzaamheden in naastgelegen panden.

Er is voor zover ons bekend geen onderzoek gedaan naar de lokale bijdrage van mobiele werktuigen aan de concentratie op leefniveau in Nederland. Wel is in 2014 een door de Academische Werkplaats Medische Milieukunde gefinancierd simulatie-onderzoek uitgevoerd naar de bijdrage van diverse typen aggregaten op de benedenwinds gemeten concentratie roet en ultrafijn stof (Strak et al. 2015). Hieruit bleek dat op 3 meter afstand de roetconcentratie tot 7 keer hoger was dan de achtergrondconcentratie en de ultrafijn stof concentratie tot 2,5 keer hoger. De voor dit onderzoek gebruikte aggregaten waren relatief licht en werden constant belast. In veel praktijksituaties, met zwaardere aggregaten en variërende stroombehoefte zal de emissie en dus ook de concentratie dichtbij het aggregaat hoger zijn.

Gezondheidseffecten

Er is voor zover ons bekend geen onderzoek gepubliceerd specifiek gericht op de gezondheidseffecten van blootstelling aan mobiele werktuigen bij de algemene bevolking. Gebaseerd op algemene kennis van gezondheidseffecten van de uitgestoten componenten kan worden geconcludeerd dat blootstelling zoveel mogelijk is af te raden. Dieselmotoren stoten relatief veel roet en ultrafijnstof uit (HEI panel 2010).

Beleid

De aanbevelingen voor beleid beperken zich hier tot het gebruik van aggregaten, omdat daarover vanwege het Academische Werkplaats onderzoek relatief veel kennis beschikbaar is en we weten dat hiervoor schone alternatieven bestaan. Mogelijk zijn deze aanbevelingen ook op andere mobiele werktuigen van toepassing.
Er zijn volop alternatieven voor dieselaggregaten beschikbaar, een overzicht daarvan is te vinden in de bijlage van het rapport van Strak et al (Strak et al. 2015). Gemeenten kunnen bij de aanbesteding van bouwprojecten eisen stellen aan de uitstoot van aggregaten en ander materieel. Ook in de vergunningverlening voor evenementen kunnen emissie-eisen aan aggregaten worden gesteld.

Een inventarisatie van maatregelen ter beperking van de uitstoot van mobiele werktuigen (NRMM – Non-Road Mobile Machinery) laat zien dat sommige Europese (hoofd)steden hiervoor reeds lokaal beleid hebben . Zo is in Kopenhagen en Zurich in veel situaties een roetfilter op dieselaggregaten verplicht, en in Stockholm en Wenen moeten alle mobiele werktuigen aan de hoogste EUEuropean Union emissie normen voldoen.