Luchtkwaliteit kan een rol spelen bij ruimtelijke planvorming. De term ruimtelijke planvorming heeft betrekking op alle infrastructurele, (steden)bouwkundige en omgevingsplannen. Dat kan dus gaan over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe wijk, nieuwe weg), maar ook over een herziening van het verkeerscirculatieplan, het herbestemmen van leegstaande kantoorpanden, vervangende nieuwbouw, het bouwen van een school op de plek van een voormalig bejaardencentrum, etc. Ook structuurvisies, bestemmingsplannen en de omgevingsvisies en –plannen die in het kader van de Omgevingswet worden opgesteld vallen onder ruimtelijke planvorming.

Luchtkwaliteit is in ruimtelijke planvorming meestal niet het hoofddoel of thema, maar een van de vele facetten die een rol spelen bij een goede leefomgevingskwaliteit (wat bovendien in veel ruimtelijke plannen moet concurreren met andere belangen als economie, wonen, mobiliteit, etc.). Advisering van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst is in dergelijke processen vaak integraal, en richt zich op alle gezondheidswinst die te behalen is door een optimaal ingerichte fysieke omgeving. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn:

  • een brede definitie van gezondheid, “het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven” (Huber et al. 2011),
  • een gezonde leefomgeving beschermt én bevordert de gezondheid,
  • alle beleid en maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving zijn positief - ook als het einddoel (nog) niet of slechts ten dele gehaald wordt.

In de ruimtelijke inrichting is een integrale afweging waarin naast luchtkwaliteit ook andere voor de gezondheid essentiële factoren (zoals milieu, beweegvriendelijkheid, fysieke veiligheid, toegankelijkheid voor minder validen, etc.) een rol spelen essentieel. Suggesties hiervoor worden onder andere gegeven in ‘Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving’. Deze en andere handreikingen ten behoeve van integrale advisering bij ruimtelijke planvorming worden momenteel door (o.a.) RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en GGD GHORGeneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio Nederland opgesteld in de voorbereiding op de Omgevingswet, en zijn beschikbaar via GGD GHOR Kennisnet en de RIVM Gids Gezonde Leefomgeving. In deze richtlijn beperken we ons tot enkele specifieke zaken wat betreft lucht.
Een belangrijk argument om ruimtelijke plannen te optimaliseren voor wat betreft lucht, is de grote gezondheidswinst die er te behalen valt – zelfs als er geen sprake is van (dreigende) normoverschrijding. Luchtverontreiniging is in Nederland de omgevingsfactor met veruit de meeste gezondheidsimpact omdat er ook bij concentraties onder de wettelijke normen gezondheidseffecten zijn, en omdat de hele bevolking is blootgesteld (Gezondheidsraad 2016). Dit betekent dat het belangrijk is om de luchtkwaliteit mee te nemen in ruimtelijke plannen, ook als er geen sprake is van (dreigende) normoverschrijding.

GGD adviseert: Neem maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren, ook onder de norm

Er wordt vaak gedacht dat de gezondheid geborgd is als aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit is voldaan. Dat klopt niet. De gezondheidseffecten door luchtverontreiniging in Nederland worden vrijwel geheel veroorzaakt door concentraties onder de grenswaarden. Elke verbetering van de luchtkwaliteit betekent gezondheidswinst. De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst vindt het daarom belangrijk om te blijven werken aan een verbetering van de luchtkwaliteit, ook als de Europese grenswaarden zijn gehaald.

 

Europese normen beschermen gezondheid onvoldoende

De Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn bedoeld om de gezondheid van de bevolking te beschermen. Deze grenswaarden (en zelfs de WHO advieswaarden) vormen echter een compromis tussen wat vanuit gezondheidsperspectief wenselijk is, wat technisch mogelijk is en wat economisch en politiek haalbaar is. Voor de relatie tussen de concentraties luchtverontreiniging en gezondheidseffecten, is er geen drempelwaarde bekend waaronder geen effecten optreden. Dus geldt: ‘hoe schoner, hoe gezonder’. De huidige Europese normen voor de luchtkwaliteit vormen daarom geen veilig niveau. Ook onder deze grenswaarden worden gezondheidseffecten gezien, zoals effecten op de luchtwegen en effecten op hart en bloedvaten.

 

Veel gezondheidswinst te behalen door verbetering luchtkwaliteit onder de norm

In Nederland wordt vrijwel overal aan de Europese normen voor luchtkwaliteit voldaan. Toch levert luchtverontreiniging een aanzienlijke bijdrage aan de ziektelast in Nederland. Naar schatting is 4,5% van de ziektelast in Nederland toe te schrijven aan de huidige luchtkwaliteit. Qua ordegrootte is die bijdrage vergelijkbaar met meeroken, ongezond eten, gebrek aan beweging en alcoholgebruik.

Meer dan 99,9 procent van de totale ziektelast door luchtverontreiniging in Nederland treedt op bij concentraties die voldoen aan de Europese normen. Dit betekent dat elke verbetering van de luchtkwaliteit, ook als deze voldoet aan de norm, gezondheidswinst oplevert. Het merendeel van de 17 miljoen inwoners van Nederland woont in gebieden waar geen sprake is van normoverschrijding van de grenswaarden. De meeste gezondheidswinst is dan ook te behalen door de blootstelling van iedereen te verminderen.

 

GGD Advies

De GGD adviseert te werken aan verbetering van de luchtkwaliteit, ook als aan de Europese normen wordt voldaan. Elke verbetering van de luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op.

Een goede manier om blootstelling aan luchtverontreiniging te beperken is om de plekken waar men verblijft niet te laten samenvallen met de plekken waar veel luchtverontreiniging optreedt, in het bijzonder hooggevoelige groepen, (Giles et al. 2011). Dit kan bijvoorbeeld door middel van afstandsbeleid voor voorzieningen waar hooggevoelige groepen verblijven. Recent adviseerde de Gezondheidsraad: “Naast de brongerichte aanpak op lokaal niveau, pleit de commissie ook voor een ‘gevoeligebestemmingenbeleid’. Dat houdt in dat in ruimtelijke plannen de ligging of bouw van voorzieningen voor kinderen, ouderen en andere ‘hooggevoelige’ groepen, op locaties met verhoogde blootstelling aan luchtverontreiniging voorkomen wordt. Dit sluit aan op een eerdere aanbeveling van de Gezondheidsraad.” (Gezondheidsraad 2018b).
De Nederlandse wetgeving heeft een minimale vorm van dergelijk beleid (in het Besluit gevoelige bestemmingen), maar deze zal niet in de Omgevingswet worden opgenomen. In de Nota van Toelichting (bij het concept Ontwerpbesluit van juni 2017) staat hierover: “Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) vervalt, omdat de werking ervan uitdooft als overal aan de grenswaarden moet worden voldaan. Ook biedt de wet de mogelijkheid om te sturen op het toelaten van nieuwe gevoelige gebouwen of uitbreidingen op bepaalde locaties vanuit het oogpunt van gezondheid.” Het voorbeeld van gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen wordt zo aangehaald bij de mogelijkheden die gemeenten hebben om zaken in hun eigen omgevingsplan op te nemen.

Verschillende Nederlandse gemeenten hebben in de afgelopen jaren beleid gevormd waarmee (bepaalde) gevoelige bestemmingen worden beschermd en/of (nieuwe) situaties worden voorkomen. Deze gemeenten hebben, op basis van de lokale situatie en bestuurlijke afwegingen, eigen beleid geformuleerd. Het is dus niet in iedere gemeente gelijk. Het stellen van gemeentelijk beleid ligt tevens in de lijn van de toelichtende brief van Staatssecretaris Atsma (uit 2012), bij het vaststellen van het Besluit gevoelige bestemmingen, waarin hij stelt dat de vestiging van gevoelige bestemmingen op lokaal niveau beoordeeld moet worden.

GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en kunnen een belangrijke adviesrol spelen in deze beoordeling en/of verankering hiervan in beleid.

Gevoeligheid van een bestemming

In het Nederlands milieubeleid worden regelmatig “gevoelige bestemmingen” apart beschermd. In het geval van luchtkwaliteit definieert het Besluit gevoelige bestemmingen de gevoelige bestemmingen als gebouwen die geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. Dit betreffen echter niet de enige bestemmingen waar mensen die extra gevoelig (kwetsbaar) zijn voor luchtverontreiniging  verblijven en gedurende relevante periode blootgesteld worden. Woningen ontbreken bijvoorbeeld.
Om de gevoeligheid van een bestemming zoals een sportveld of speeltuin te kunnen afwegen kan gebruik worden gemaakt van het scoresysteem , Gevoeligheidsscore ruimtelijke objecten. Gevoelige objecten (rood in het scoresysteem) dienen te worden geplaatst in een zone met een goede luchtkwaliteit om gezondheidsproblemen te voorkomen. Niet-gevoelige objecten (groen in het scoresysteem) leveren in een zone met een ongunstige luchtkwaliteit weinig tot geen gezondheidsproblemen op. Ook zijn er objecten die extra aandacht verdienen (oranje in het scoresysteem). Bij voorkeur worden deze geplaatst in een zone met goede luchtkwaliteit, maar in sommige gevallen kan het extra risico op gezondheidsproblemen aanvaardbaar zijn.

Afstand en verkeersintensiteit in plaats van toetsing concentraties

De WHO concludeert in de REVIHAAP rapportage dat de geobserveerde gezondheidseffecten nabij drukke wegen , niet kunnen worden toegeschreven aan één of enkele componenten van het luchtverontreinigingsmengsel. Dit betekent dat door middel van regulatie van één of enkele van deze component(en) niet de gewenste gezondheidsbescherming kan worden verkregen. Het houden van afstand is dan het beste alternatief (Giles et al. 2011), alhoewel het bepalen van de juiste afstand ingewikkeld is.
De invloed van verkeer op luchtkwaliteit en gezondheid is tot op een afstand van honderden meters van snelwegen merkbaar, een ‘veilige afstand’ is niet aan te geven (Fischer et al. 2007; Gezondheidsraad 2008; WHO 2013a). Wel is bekend dat de concentratie verkeersgerelateerde luchtverontreiniging snel afneemt met toenemende afstand tot de weg. De invloed van een weg is dus tot op honderden meters afstand meetbaar, en terug te zien in gezondheidseffecten, een beleidsmatige keuze voor een afstand zal echter altijd arbitrair blijven. In het Besluit gevoelige wordt uitgegaan van een zone van 300 meter tot de snelweg waarbinnen getoetst moet worden. Het GGD Advies in deze richtlijn sluit om praktische redenen bij deze afstand aan. Beleid wordt niet alleen gemaakt vanuit gezondheidskundige overwegingen. Veelal treden er bij het hanteren van een 300 meter zone praktische bezwaren op vanuit het ruimtelijk beleid, in samenspraak met de lokale GGD kan een gemeente dan uitkomen op een afwijkende beschermingszone en/of de exacte bestemmingen waarop het beleid toepassing heeft. De gemeente Utrecht hanteert bijvoorbeeld een afstand van minstens 100 meter, bij voorkeur 300 meter. In Rotterdam is de lokale Beleidsregel Luchtkwaliteit gericht op de zone van 100 meter van de snelweg, en beperkt tot scholen en kinderdagverblijven.

Het Besluit gevoelige bestemmingen schrijft ook een toetsingsverplichting voor bij gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van provinciale wegen. Het GGD Advies richt zich op de drukte van de weg in plaats van de wegbeheerder, aangezien ook veel gemeentelijke wegen als druk beschouwd kunnen worden. Juist langs de gemeentelijke drukke wegen vallen blootstelling en langdurig verblijf vaak samen, en door beleid gericht op het beperken van deze blootstelling kan veel gezondheidswinst behaald worden. Net als in veel gezondheidsstudies is een drukke weg  gedefinieerd als een weg met verkeersintensiteit van meer dan 10.000 mvt/etmaal. De gezondheidseffecten worden gezien bij mensen die direct aan deze wegen verblijven (hoogblootgestelden), daarom richt het GGD Advies zich op de eerstelijnsbebouwing van wegen met meer dan 10.000 mvt/etmaal. Wanneer de eerstelijnsbebouwing zich op grotere afstand van de weg bevindt, is de invloed van de weg beperkter. Het GGD Advies zegt daarom, zich wederom ook aansluitend bij het Besluit, geen gevoelige bestemmingen te plaatsen in de eerstelijnsbebouwing binnen een afstand van 50 meter van de rand van een (gemeentelijke of provinciale) weg met meer dan 10.000 mvt/etmaal. In samenspraak met de gemeente kan een lokale GGD hierover aanvullend advies opnemen, in de Amsterdamse Richtlijn Gevoelige Bestemmingen is bijvoorbeeld opgenomen dat wanneer de eerstelijnsbebouwing zich verder dan 50m van de (binnenstedelijke) weg bevindt, de richtlijn niet van toepassing is en de bestemming dus wat betreft luchtkwaliteit gerealiseerd kan worden.

Een vaak gehoord argument om geen beleid voor gevoelige bestemmingen op te stellen is dat het wagenpark steeds schoner wordt. Het klopt dat nieuwe voertuigen lagere emissies hebben, de concentraties van veel luchtverontreinigende stoffen zijn in de afgelopen decennia dan ook gedaald. Echter worden er ook op dit moment wetenschappelijke studies gepubliceerd die duiden op de gezondheidseffecten van langdurig verblijven in de buurt van drukke wegen. Alhoewel er enige vertraging optreedt tussen het uitvoeren van een studie en publicatie ervan, en wetenschappelijke inzichten dus altijd betrekking hebben op de in de realiteit voorkomende concentraties van enige tijd geleden, is er op dit moment daarom geen reden de afstanden aan te passen. Een gemeente kan in samenspraak met de GGD een zekere tijdelijkheid op het beleid van toepassing laten zijn. Een Nederlandse gemeente overweegt hiertoe bijvoorbeeld het beleid te koppelen aan het al dan niet voldoen aan de WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit.

Dossier gevoelige bestemmingen

Op GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst GHORGeneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio Kennisnet heeft de Werkgroep Lucht van de Vakgroep Milieu en Gezondheid (GGD GHOR Nederland) een dossier Gevoelige Bestemmingen Luchtkwaliteit aangemaakt waarin het vastgestelde beleid van de gemeenten met een Beleid Gevoelige Bestemmingen terug is te vinden.

GGD Adviseert: Gevoelige bestemmingen op afstand van drukke wegen

Gezondheidsrisico’s van omwonenden nemen toe naarmate de afstand tot de weg kleiner is, ook wanneer de luchtkwaliteit aan de Europese grenswaarden voldoet. Woningen en voorzieningen waar kinderen, ouderen of mensen met een zwakke gezondheid langdurig verblijven moeten daarom op ruime afstand van drukke wegen worden gerealiseerd.

 

Afstand en verkeersintensiteit in plaats van concentraties

Epidemiologische studies laten zien dat mensen die langdurig dicht in de buurt van een rijksweg of drukke binnenstedelijke weg (meer dan 10.000 voertuigen per etmaal) verblijven (hoogblootgestelden) een groter risico hebben op negatieve gezondheidseffecten. De invloed van verkeer op luchtkwaliteit en gezondheid is tot op een afstand van honderden meters van een snelweg merkbaar. Gezondheidseffecten nabij drukke wegen worden niet veroorzaakt door één of enkele componenten van het luchtverontreinigingsmengsel en regulatie hiervan kan daarom niet tot de gewenste gezondheidsbescherming leiden.

 

Houd voor gevoelige bestemmingen afstand tot drukke (snel-)wegen

Kinderen, ouderen en mensen met een zwakke gezondheid zijn extra gevoelig voor de effecten van luchtverontreiniging. Om gezondheidseffecten van luchtverontreiniging te voorkomen, zouden bestemmingen waar deze mensen langere tijd verblijven niet in de buurt van drukke wegen gebouwd moeten worden.

 

Ook woningen als gevoelige bestemming aanmerken

Doel van een beleid voor gevoelige bestemmingen is het beschermen van extra kwetsbare mensen. Voor luchtkwaliteit gaat het dan om kinderen, ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst vindt dat naast scholen, kinderdagverblijven, bejaarden-, verzorgings- en verpleeghuizen ook woningen als gevoelige bestemming aangemerkt zouden moeten worden. Mensen die tot de hooggevoelige groepen behoren verblijven immers vaak langer in hun woningen dan in de eerdergenoemde voorzieningen die specifiek op deze doelgroepen gericht zijn.

 

GGD Advies

Vanwege bovenstaande redenen adviseren GGD’en om afstand te houden tussen voorzieningen waar langdurig verblijf van hooggevoelige groepen plaatsvindt en drukke wegen.

  • Niet binnen 300 meter van de snelweg, onafhankelijk van de vraag of aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan.
  • Niet in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van drukke wegen, waarbij ‘druk’ is gedefinieerd als een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal.

Beleid wordt niet alleen gemaakt vanuit gezondheidskundige overwegingen. We erkennen het voorkomen van praktische bezwaren, een lokale GGD kan daarom in samenspraak met de gemeente bepalen of met betrekking tot de beschermingszone, de bestemmingen en tijdelijkheid een advies op maat mogelijk is.

Bovenstaand advies verschilt van het advies in de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Richtlijn ‘luchtkwaliteit en gezondheid’ uit 2008. Waar het advies zich in 2008 beperkte tot voorzieningen bedoeld voor kwetsbare groepen richt het zich nu, in lijn met bijvoorbeeld het advies van de Gezondheidsraad (2018) en in de geest van de Omgevingswet, op alle voorzieningen waar hooggevoelige mensen langdurig verblijven. Daarnaast bleek de formulering van de afstandsgrens in het advies uit 2008 verwarring op te roepen. In zowel de toelichting als het advies is dit nu verduidelijkt.

Het op deze pagina besproken gevoelige bestemmingenbeleid richt zich uitsluitend op verkeer. Wanneer er andere bronnen van belang zijn (zoals industrie of veehouderij) kunnen afstandszones ook uitkomst bieden. Hier is echter in nog sterkere mate maatwerk nodig, en biedt een integraal advies (inclusief thema’s als geur- en geluidhinder) vrijwel altijd meerwaarde.

Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt vaak een milieueffectrapportage (m.e.r.)-procedure doorlopen met als doel om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. Voor een zorgvuldige afweging bevat het milieueffectrapport (MERmilieueffectrapportage) alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. De verantwoordelijke overheid (Rijk, provincie, gemeente, waterschap) neemt het rapport mee in haar overwegingen bij de besluitvorming. De Commissie voor de milieueffectrapportage brengt adviezen uit in het kader van de m.e.r.. Naast de m.e.r. bij concrete projecten (project-m.e.r.) bestaat er ook een plan-m.e.r. voor plannen die kaderstellend zijn voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit. Zo is bijvoorbeeld een bestemmingsplan m.e.r.-plichtig als binnen dat plan de vestiging van een veehouderij of een nieuwe weg wordt mogelijk gemaakt.
De m.e.r. vloeit voort uit Europese regelgeving en is in Nederland geregeld in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.. Een m.e.r. kan voortkomen uit wettelijke verplichtingen of vrijwillig opgestart worden. Voor sommige activiteiten is het verplicht om een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling (een formele beoordeling waaruit blijkt of een m.e.r. nodig is) uit te voeren, maar voor veel activiteiten is dit niet het geval. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de m.e.r. geregeld in deze wet en het bijbehorende Omgevingsbesluit. Ook de Commissie voor de m.e.r. heeft hierin een wettelijke basis.
Uitgebreide en actuele informatie over de milieueffectrapportage en de bijbehorende procedures is te vinden op de websites van Kenniscentrum InfoMil en de Commissie voor de milieueffectrapportage.

GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst advisering bij een m.e.r.

Een m.e.r.-procedure omvat verschillende fases waarin een GGD kan adviseren om luchtkwaliteit, en de gezondheidsgevolgen daarvan, goed mee te nemen.
Het is het meest effectief om reeds in gesprek te zijn in het voortraject, de GGD kan het bevoegd gezag dan bijvoorbeeld adviseren, op basis van een inschatting van de (gezondheids)effecten, om wel of geen apart hoofdstuk over gezondheid mee te nemen en tot het einde van het project in gesprek te blijven.
De afbakening van het onderzoek (de zogenaamde notitie reikwijdte & detailniveau, afgekort als NRD) is een belangrijke fase bij het opstellen van een milieueffectrapportage omdat het bepaalt of er voldoende informatie op tafel wordt gebracht om het milieubelang volwaardig te kunnen meewegen. De reikwijdte bepaalt welke alternatieven onderzocht moeten worden (bijvoorbeeld alternatieve locaties voor een inrichting, alternatieven voor de ruimtelijke uitwerking, etc.) en welke milieuaspecten van belang zijn. Het detailniveau beschrijft hoe uitgebreid het onderzoek moet zijn en op welke manier het wordt uitgevoerd. De GGD kan hierbij adviseren aan de initiatiefnemer en/of het bevoegd bezag over de mate van detail waarop de luchtkwaliteitseffecten onderzocht moeten worden, of alleen de milieueffecten of ook de gezondheidseffecten bepaald moeten worden, of de effecten kwalitatief of kwantitatief moeten worden bepaald en met welke methode(n) dit het best gedaan kan worden. Het voorstel is vaak om een GESGezondheidkundige Evaluatie Schiphol uit te voeren, maar dit is voor luchtkwaliteit zelden een goede keuze gezien de grove klasseindeling.
De GGD kan ook adviseren over de presentatie van de resultaten. Als er verschillende alternatieven worden vergeleken is het goed om te beschikken over verschilkaarten naast/in plaats van (de gebruikelijke) kaarten met de absolute uitkomsten van berekeningen.
De commissie voor de m.e.r. adviseert sterk een gezondheidsparagraaf op te nemen, de GGD kan het bevoegd gezag hierbij ondersteunen door de gezondheidskundige interpretatie van de resultaten te geven.
De GGD kan daarnaast gezondheidsbescherming borgen door te adviseren over de monitoring en evaluatie. Een m.e.r. vindt plaats op basis van het plan en de daarbij gehanteerde uitgangspunten, er worden afspraken gemaakt over monitoring en evaluatie na realisatie. Dit betekent dat de trends en ontwikkelingen in monitoringresultaten beschouwd worden en naast de in het MER beschreven verwachtingen worden gelegd. Concreet: is de ontwikkeling van de luchtkwaliteit of de emissie van wegverkeer echt zo gunstig als dat ten tijde van het opstellen van het MER werd verwacht? De GGD kan er in deze fase zorg voor dragen dat vooraf duidelijk is wat de consequenties van de evaluatie kunnen zijn: bij niet realiseren van doelstellingen worden aanvullende compenserende en/of mitigerende maatregelen (concreet maken) genomen. De monitoring is hierbij van essentieel belang en advisering omtrent een voor een goede evaluatie passende monitoring is dus belangrijk.

In de ruimtelijke inrichting kun je, naast het níet bouwen van bepaalde objecten op bepaalde plekken (Beleid Gevoelige Bestemmingen), ook op een slimme manier rekening houden met de typische eigenschappen van luchtverontreiniging. In deze paragraaf bespreken we enkele principes; slimme ruimtelijke inrichting is echter per definitie maatwerk en dus niet een op een over te nemen.

Afstand

Een van de kenmerken van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging is dat de gehaltes vervuiling op de weg het hoogst zijn en met afstand van de weg snel afnemen. Dat betekent dat maatregelen die de fysieke afstand tussen gemotoriseerd verkeer en weggebruikers als fietser, wandelaar of een op de stoep spelend kind vergroten direct de blootstelling van die weggebruikers verkleinen. Dit kun je vanzelfsprekend bereiken door bijvoorbeeld een geheel vrij liggende fietsroute, of een speeltuin in een autovrij park of bromfietsers weren van het fietspad. Maar dat is niet altijd mogelijk of wenselijk. Een slim ontwerp van een wegprofiel met bijvoorbeeld een groenstrook tussen rijbaan en fietspad in plaats van een middenberm en fietsstrook direct aan de rijbaan kan ook enige verbetering bieden.

Aangename Zijde

In een stedelijke omgeving zijn de gehaltes luchtverontreiniging in verkeersluwe straten vergelijkbaar met die in de parken, terwijl deze in straten met veel verkeer tot ongeveer een factor twee hoger kunnen zijn (Boogaard et al. 2011). Voor hoogblootgestelde groepen, zoals bewoners of gebruikers van panden gelegen aan drukke straten, kan de schonere zijde een uitkomst zijn. De plek waar de verse buitenlucht door het ventilatiesysteem wordt aangezogen hoort bijvoorbeeld aan deze kant. Daarnaast ligt de kinderslaapkamer bij voorkeur aan de minst belaste zijde en ligt bij schoolgebouwen of kinderdagverblijven het schoolplein en de speelplaats aan de minst belaste zijde.

Bij ruimtelijke inrichting kan actief worden ingezet op een aangename zijde door verkeer zoveel mogelijk te bundelen over een beperkt aantal straten en de andere straten autoluw(er) te maken. De afblaas van de afzuigkap van een aan deze straat gelegen snackbar (of in verband met koolmonoxide nog relevanter; shisha-lounge) moet dan natuurlijk ook niet aan de aangename zijde uitkomen. Overigens is dit principe afkomstig uit het geluidsbeleid, waar het bewezen effectief is (de Kluizenaar et al. 2013; van Kempen and van Beek 2013).
De slimste manier om bij te dragen aan gezonde lucht is om beleid te combineren. Veel gemeenten zijn bezig met (ruimtelijk) beleid om bewegen te promoten. Bijvoorbeeld vanuit doelstellingen uit overgewichtpreventie. Het stimuleren van actief vervoer (wandelen, fietsen) is een van de meest effectieve manieren om mensen meer te laten bewegen. Bovendien betekent iedere fiets- in plaats van autokilometer ook minder uitstoot en dus gezondere lucht.
Vergelijkbare combinaties kunnen worden gemaakt met klimaatbeleid (CO2carbon dioxide-uitstoot-vrije bussen rijden niet op diesel), beleid ter vergroting van de leefbaarheid (waar gespeeld wordt rijden geen vrachtwagens) en toegankelijkheid (een prettige buurt voor een rolstoeler met een goed voorzieningenniveau is ook heel prettig te voet of met de fiets).

Eén mitigatiemaatregel komt vaak ter sprake bij advisering bij ruimtelijke inrichting in het algemeen en bij toepassing van Gevoelige Bestemmingen Beleid in het bijzonder: filtering of zuivering van buitenlucht in scholen, locaties voor kinderopvang of woningen.
Zuivering van buitenlucht voordat deze wordt ingeademd, vooral door extra gevoelige personen, lijkt een uitkomst. Er zijn dan ook veel verschillende zuiveringsapparaten en filtersystemen verkrijgbaar (Beko et al. 2008; Clausen 2004; McCarthy et al. 2013; Polidori et al. 2013; Seppanen and Fisk 2002; van der Zee et al. 2017).

Mechanische ventilatie met filtertoepassing

Het aanzuigen van de buitenlucht met behulp van mechanische ventilatiesystemen met fijnmazige filters kan een effectieve manier zijn om de fijn stof en roetconcentraties in de binnenlucht te verlagen (McCarthy et al. 2013; Polidori et al. 2013; van der Zee et al. 2017). Daarbij hebben zogenaamde F9 filters de voorkeur omdat deze het meest effectief ook de ultrafijne deeltjes tegenhouden. Overigens is de normering en classificering veranderd, sinds 1 januari 2017 geldt de ISOInternational Organization of Standardization 16890-3 standaard. Dat is een internationale standaard, die zowel in Europa als VSVerenigde Staten is ingevoerd. Vanaf 1 juli 2018 geldt niet meer de NEN779 normering (met typering van filters in G (grof), M (medium) en F (fijn) in combinatie met een cijfer) maar de ISO 16890 normering. De filters worden dan ingedeeld in ISOePM10, ISOePM2,5 en ISOePM1 met daarachter een aanduiding van de efficiency voor die deeltjesgrootte, waarbij de ondergrens steeds 0,3 µm bedraagt. F9 filters komen dan overeen met een ISOePM1 rendement van >80%.
De effectiviteit van deze filtersystemen neemt toe naarmate een groter deel van de buitenlucht via dit filter wordt aangezogen. In de praktijk dringt namelijk ook altijd ongefilterde lucht door in de binnenlucht, via deuren en ramen, maar ook via kieren en naden. Alhoewel (vergaande) technische oplossingen denkbaar zijn (bijv. het afdichten van kieren en ramen permanent afsluiten in combinatie met mechanische koeling) bieden deze maatregelen slechts deels een oplossing, al was het maar omdat de deur immers regelmatig open moet om mensen toegang te verschaffen.

Effectiviteit filtersystemen

Diverse studies hebben aangetoond dat filtersystemen de binnenluchtkwaliteit kunnen verbeteren. De effectiviteit op langere termijn valt of staat echter met regelmatig onderhoud en regelmatige vervanging van de filters. Wanneer de filters niet tijdig worden vervangen kunnen er micro-organismen op de filters gaan groeien die vervolgens in de binnenlucht terecht komen. Hierdoor kan vervolgens geuroverlast ontstaan (Beko et al. 2008). Studies bij werknemers hebben daarnaast een verband aangetoond tussen verouderde filters en luchtwegklachten (Clausen 2004; Seppanen and Fisk 2002). Het dichtslibben van filters leidt er ook toe dat de weerstand toeneemt waardoor de hoeveelheid aangezogen buitenlucht afneemt. Om binnenklimaatredenen is dit niet wenselijk (zie bijvoorbeeld GGD-Richtlijn Beoordeling van ventilatie en ventilatievoorzieningen van woningen (Duijm et al. 2010)). Overbeladen filters kunnen daarnaast scheuren waardoor zij in het geheel niet meer filteren (en het op het filter aanwezige stof door het ventilatiesysteem naar de binnenruimtes kan worden verspreid).
Overigens geldt dat ventilatiesystemen vrijwel altijd met enig type filter zijn uitgerust om het systeem te beschermen. Het gaat dan om filters in de (zeer) grove klasse, deze hebben niet de capaciteit verkeersgerelateerde luchtverontreiniging te filteren.

Hoewel het belang van goed onderhoud en regelmatig vervangen van filters algemeen wordt erkend, ontbreekt (wettelijke) regelgeving om dit te garanderen. Ook is er geen externe controle op de bedrijven die onderhoud plegen en de filters vervangen. Dit betekent dat goed onderhoud op lange termijn niet kan worden gegarandeerd. Deze borging van onderhoud in regelgeving (en handhaving) is nodig omdat goed onderhoud en regelmatige vervanging van filters in de praktijk vaak een probleem vormt. Enkele voorbeelden:

  • (Jarenlang) niet vervangen van filters in huurwoningen. Het is vaak niet duidelijk of de huurder of verhuurder voor het onderhoud verantwoordelijk is. Als de huurder verantwoordelijk is, weet deze vaak niet dat er filters zijn, noch dat deze onderhouden moeten worden.
  • School is zich niet bewust van de aanwezigheid van een ventilatiesysteem met filtertoepassing. Het filter is dus ook al jarenlang niet vervangen.
  • School denkt dat er een filter van type F9 aanwezig is, in de praktijk blijkt dat (een minder goed) F5 filter te zijn. Aan het filter is niet te zien welk type is, de verantwoordelijk medewerker kan de installateur niet controleren.
  • Onderhoudsbedrijf bestelt een F9 filter maar krijgt een F7 filter. Op het oog is dit onderscheid, ook voor getrainde professionals, niet te maken. Het typenummer is niet op het filter vermeld. Aangezien dit onder een meetproef gebeurde wezen de meetresultaten op een plotselinge verandering. De fabrikant bevestigde nadat de meetresultaten werden voorgelegd, dat wegens leveringsproblemen niet het gevraagde filter was verstrekt.

GGD Adviseert: Pas in principe geen filtersystemen toe

Filters in ventilatiesystemen kunnen het binnenkomen van verontreinigde buitenlucht beperken en kwaliteit van de binnenlucht verbeteren. De filters in deze systemen moeten echter regelmatig worden onderhouden en vervangen, anders zal de kwaliteit van de binnenlucht verslechteren in plaats van verbeteren. Het toepassen van filters in ventilatiesystemen wordt daarom afgeraden, tenzij langdurig onderhoud aantoonbaar gegarandeerd kan worden (en hier budget voor wordt gereserveerd).

 

Filters kunnen het binnenkomen van verontreinigde buitenlucht beperken

Het aanzuigen van de buitenlucht met behulp van mechanische ventilatiesystemen met fijnmazige filters kan een effectieve manier zijn om de fijn stof en roetconcentraties in de binnenlucht te verlagen. Daarbij hebben zogenaamde F9 filters / filters met een ISOePM1 efficiency van >80% de voorkeur, omdat deze het meest effectief ook de ultrafijne deeltjes tegenhouden.

De effectiviteit van deze filtersystemen neemt toe naarmate een groter deel van de buitenlucht via dit filter wordt aangezogen. In de praktijk dringt namelijk ook altijd ongefilterde lucht door in de binnenlucht, via deuren en ramen, maar ook via kieren en naden.

 

Filters kunnen ook problemen introduceren

De effectiviteit van filters staat of valt op langere termijn met regelmatig onderhoud en regelmatige vervanging van de filters. Wanneer de filters niet tijdig worden vervangen kunnen de filters dichtslibben, waardoor de efficiency van de ventilatiesystemen afneemt, de hoeveelheid aangezogen buitenlucht afneemt, en de binnenlucht vervuild raakt. Ook kunnen micro-organismen op de filters gaan groeien die vervolgens in de binnenlucht terecht komen, waardoor geuroverlast kan ontstaan. Studies bij werknemers hebben een verband aangetoond tussen verouderde filters en luchtwegklachten.

Hoewel het belang van goed onderhoud en regelmatig vervangen van filters algemeen wordt erkend, ontbreekt wettelijke regelgeving om dit te garanderen. Ook is er geen externe controle op de bedrijven die onderhoud plegen en de filters vervangen. Hoewel veel van deze bedrijven van goede wil en kwaliteit zijn, kan goed onderhoud op lange termijn niet worden gegarandeerd. In de praktijk vormen goed onderhoud en regelmatige vervanging van filters dan ook vaak een probleem.

 

GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Advies

Vanwege de onmogelijkheid om een langdurig goede werking van de systemen (juridisch) te garanderen en de risico’s die een niet goed onderhouden filtersysteem met zich meebrengt, raadt de GGD toepassing van deze systemen in principe af.

Uitzonderingen hierop kunnen voorkomen, bijvoorbeeld bij reeds bestaande gevoelige bestemmingen op zwaar luchtbelaste locaties wanneer langdurig onderhoud aantoonbaar wel (juridisch houdbaar) gegarandeerd kan worden en budget voor onderhoud voor langere termijn wordt gereserveerd. Dit vergt echter initiatief en budget van de eigenaar van de betreffende gevoelige bestemming.

Andere luchtreinigers

Afgezien van eerder besproken ventilatiesystemen die de buitenlucht aanzuigen over een filter zijn er ook ‘free standing‘ filtersystemen die de binnenlucht recirculeren en filteren. Daarnaast zijn er talloze andere typen luchtreinigers. Het bespreken van de voor- en nadelen van dergelijke reinigers op het binnenmilieu valt buiten deze richtlijn.

Voor wie toch graag meer wil weten over ‘free-standing’ filtersystemen en andere luchtreinigers, zijn de volgende bronnen een goed startpunt:

  • De Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPAEnvironmental Protection Agency) heeft in 2016 de beschikbare kennis over deze systemen samengevat en beschikbaar gemaakt via de website (EPA 2018)
  • Wetenschappelijke reviews:
    • Zang 2011 Atmospheric Environment (Zhang et al. 2011)
    • Sublett, 2011, Current Allergy and Asthma Reports (Sublett 2011)
    • Fisk 2013, Indoor Air (Fisk 2013)

Aandachtspunt bij luchtreinigers is dat bepaalde typen ozon genereren, gezondheidskundig is dit niet wenselijk.

  • Beko G, Clausen G, Weschler CJ (2008) Sensory pollution from bag filters, carbon filters and combinations. Indoor Air 18(1):27-36
  • Clausen G (2004) Ventilation filters and indoor air quality: a review of research from the International Centre for Indoor Environment and Energy. Indoor Air 14 Suppl 7:202-7
  • de Kluizenaar Y, Janssen SA, Vos H, Salomons EM, Zhou H, van den Berg F (2013) Road traffic noise and annoyance: a quantification of the effect of quiet side exposure at dwellings. Int J Environ Res Public Health 10(6):2258-70
  • Duijm F, van Ginkel JT, T H, Poelman B, van Schie RJ, SCholtes MM (2010) GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn medische milieukunde: Beoordeling van ventilatie en ventilatievoorzieningen van woningen.  RIVM Rapport 609330011
  • EPAEnvironmental Protection Agency (2018) Residential air cleaners. 2nd ed. A summary of available information. United States Environmental Protection Agency.
  • Fischer P, Marra M, Wesseling J, Cassee FR (2007) Invloed van de afstand tot een drukke verkeersweg op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid: een quick scan.  RIVM Briefrapport 863001005
  • Fisk WJ (2013) Health benefits of particle filtration. Indoor Air 23(5):357-68
  • Gezondheidsraad (2008) Advies aan de minister over Gevoelige Bestemmingen luchtkwaliteit. Publikatienummer 2008/09
  • Gezondheidsraad (2016) Meewegen van gezondheid in omgevingsbeleid.  Gezondheidsraad Nr. 2016/12
  • Gezondheidsraad (2018) Gezondheidswinst door schonere lucht.  Gezondheidsraad Nr. 2018/01
  • Giles LV, Barn P, Kunzli N, et al. (2011) From good intentions to proven interventions: effectiveness of actions to reduce the health impacts of air pollution. Environ Health Perspect 119(1):29-36
  • Huber M, Knottnerus JA, Green L, et al. (2011) How should we define health? BMJ 343:d4163
  • McCarthy MCmedisch centrum, Ludwig JF, Brown SG, Vaughn DL, Roberts PTpertussis-toxine (2013) Filtration effectiveness of HVAC systems at near-roadway schools. Indoor Air 23(3):196-207
  • Polidori A, Fine PM, White V, Kwon PS (2013) Pilot study of high-performance air filtration for classroom applications. Indoor Air 23(3):185-95
  • Seppanen O, Fisk WJ (2002) Association of ventilation system type with SBS symptoms in office workers. Indoor Air 12(2):98-112
  • Sublett JL (2011) Effectiveness of air filters and air cleaners in allergic respiratory diseases: a review of the recent literature. Curr Allergy Asthma Rep 11(5):395-402
  • van Kempen EEMM, van Beek AJ (2013) De invloed van een stille zijde bij woningen op gezondheid en welbevinden : Literatuur en aanbevelingen voor beleid.  RIVM Rapport 630650005
  • van der Zee SC, Strak M, Dijkema MBmegabyte, Brunekreef B, Janssen NA (2017) The impact of particle filtration on indoor air quality in a classroom near a highway. Indoor Air 27(2):291-302
  • WHO (2013a)  Review of evidence on health aspects of air pollution - REVIHAAP Project: Technical Report. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe
  • Zhang Y, Mo J, Li Y, et al. (2011) Can commonly-used fan-driven air cleaning technologies improve indoor air quality? A literature review. Atmospheric Environment 45(26):4329-4343