De blootstellingssituatie in Nederland is niet ieder jaar gelijk. We gaan hier in op de situatie in 2018.  

    Actuele informatie kan een ieder nazoeken via:

    Monitoringsrapportage

    In de Monitoringsrapportage worden de (berekende) concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10fijnstof) in kaart gebracht. In de rapportage wordt dit getoetst en ruimtelijk inzichtelijk gemaakt.

    Uit de Monitoringsrapportage 2016 (over 2015 (van Zanten et al. 2015)) blijkt dat langs drukke straten in 11 gemeenten overschrijdingen van de jaargemiddelde NO2-grenswaarden voorkomen. De meeste overschrijdingen voor NO2 zijn in grote steden. Overschrijdingen voor de grenswaarde voor fijn stof (PM10) (meer dan 35 dagen met een 24-uurs gemiddelde hoger dan 50 µg/m3) komen voor in 13 gemeenten en worden vooral veroorzaakt door industrie en intensieve veehouderij. NO2 kent een dalende trend en naar verwachting zal deze zich ook in de komende jaren voortzetten, de daling voor fijn stof lijkt in de komende jaren te stagneren en in de bevolkingsgewogen prognoses (waarbij juist wordt gekeken naar de concentraties op de plekken waar mensen wonen) voor 2020 is zelfs een verslechtering ten opzichte van 2015 zichtbaar. In de Monitoringsrapportage wordt deze ontwikkeling toegeschreven aan de hogere prognoses van de achtergrondconcentraties (GCNGrootschalige Concentratiekaarten Nederland) fijn stof in 2020. De GCN-rapportage op zijn beurt, geeft aan dat dit te maken heeft met het modeleren op basis van een langjarig gemiddelde, en rapporteren van afgelopen jaren op basis van de werkelijk gemeten situatie. De achtergrondconcentraties voor voorbije jaren worden gecorrigeerd voor de gemeten concentraties, in 2015 was de correctie voor fijn stof relatief (zeer) laag, ten gevolge van onder meer gunstige meteorologische condities. De in de fijn stofprognoses voor 2020 toegepaste correctie, waarbij wordt uitgegaan van een correctie op basis van een langjarig gemiddelde, is veel hoger (Velders et al. 2017).


    Figuur. Ontwikkeling concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (1992-2015, gemiddelde concentraties regionale meetstations) (Gezondheidsraad 2018)

    Ook metingen laten (tot en met 2015) een dalende trend zien: 0,7 µg/m3 per jaar voor NO2 en 0,85 µg/m3 per jaar voor PM10 (zie Figuur) (Hoogerbrugge et al. 2016). Vanaf 2004 zijn de concentraties op stedelijke achtergrondlocaties voor NO2 met 30% afgenomen, op verkeersbelaste locaties met 25%. Deze lange termijn daling lijkt op straatlocaties de laatste jaren door te zetten. De dalingen voor PM10 en PM2,5fijnstof zijn bijna gelijk, volgend uit het beleid dat zich vooral op verbrandingsemissies focust. In de fractie PMcoarse  is geen dalende trend te zien (zie ook Luchtverontreinigende stoffen – deeltjesvormig en gasvormig). De trends zijn in het hele land vergelijkbaar en duiden op het belang van generiek Europees en landelijk beleid.

    In Nederland is het o.a. vanwege verschillen in meetmethoden, (nog) niet mogelijk een trendanalyse voor roet te doen. Ook voor ozon bestaat geen Nederlandse kwantitatieve trendanalyse van het jaargemiddelde, Europese cijfers duiden echter op stagnatie of in verstedelijkte gebieden zelfs een lichte stijging van de jaargemiddelde ozonconcentratie (EEA 2016).

    Referenties

    • EEA (2016) Air quality in Europe - 2016 report.  EEA Report No 28/2016. European Environment Agency
    • Gezondheidsraad (2018) Gezondheidswinst door schonere lucht. Gezondheidsraad Nr. 2018/01
    • Hoogerbrugge R, Nguyen L, Wesseling J, et al. (2016) Trends in PM10fijnstof- en NO2Stikstofdioxide-concentraties. Tijdschrift Lucht 3:13-16
    • van Zanten M.C., Berkhout J.P.J., Wesseling J., et al. (2015) Monitoringsrapportage NSLNationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2015. RIVM Rapport 2015-0166
    • Velders GJM, Aben JMM, Geilenkirchen GPgeneral practitioner, et al. (2017) Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2017 RIVM Rapport 2017-0117