Als een virus zich vermenigvuldigt, kan het steeds een heel klein beetje veranderen. Meestal is die verandering (of: mutatie) zo klein dat het bijna geen invloed heeft op hoe ziek je wordt en hoe het virus zich verspreidt. Soms zorgt een verandering er wel voor dat een virus zich anders gedraagt en bijvoorbeeld makkelijker verspreidt. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu houdt veranderingen in het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome-CoV coronavirus-2 en de gevolgen ervan goed in de gaten. In Nederland is Omikron op dit moment de meest voorkomende variant van het coronavirus.

Van virussen is bekend dat ze vaak veranderen. Van het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome-CoV coronavirus-2 zijn al duizenden varianten. In het laboratorium onderzoekt het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu welke varianten er in Nederland zijn en wat dat betekent voor de verspreiding in Nederland. Dit noemen we kiemsurveillance . Het is vooral belangrijk om te weten of de varianten die rondgaan ook nieuwe eigenschappen hebben die extra risico’s met zich meebrengen. Bijvoorbeeld omdat ze makkelijker overgedragen worden, omdat mensen er zieker van worden, of omdat de virusvarianten minder goed op vaccinatie reageren. 

Omikronvariant komt in Nederland het meest voor

De coronavariant Omikron (B.1.1.529) werd eind november 2021 voor het eerst gemeld in Zuid-Afrika. De omikronvariant neemt wereldwijd in aandeel toe. In Nederland is het de dominante variant. Dat betekent dat de meeste mensen met een positieve testuitslag de omikronvariant van het coronavirus hebben. De kleine veranderingen (mutaties) zitten ook bij deze variant vooral in de stekeltjes van het coronavirus: het spike-eiwit. Opvallend is dat deze variant een ongewoon groot aantal mutaties in dit eiwit heeft. Een aantal mutaties zit op plekken die zorgen dat de eigenschappen van het virus veranderen.  

Nog niet eerder verspreidde een nieuwe variant van het coronavirus zich zó snel als de omikronvariant. De effectiviteit van de vaccins tegen besmetting is bij de omikronvariant zonder boostervaccinatie een stuk lager dan bij de deltavariant. Mensen kunnen de omikronvariant van het virus krijgen terwijl zij het coronavirus al eerder hebben gehad of al zijn gevaccineerd. Bescherming tegen besmetting en ernstige ziekte na een besmetting met de omikronvariant neemt na een boosterprik fors toe. Wel neemt de bescherming tegen besmetting met de omikronvariant na een boosterprik sneller af dan de bescherming tegen de deltavariant. 

De omikronvariant wordt opgepikt in de PCR polymerase chain reaction-testen en antigeen-testen die in Nederland gebruikt worden. De omikronvariant is door de WHO en het ECDC European Centre for Disease Prevention and Control aangewezen als ‘zorgelijke variant’ (VOC).

Reproductiegetal: hoe snel verspreidt het virus zich?

Bij het beoordelen van risico’s van een virusvariant, is het belangrijk om te weten hoe besmettelijk de variant is en makkelijk de virusvariant zich verspreidt. Naarmate een bepaalde virusvariant vaker voorkomt, kan het RIVM het reproductiegetal berekenen. Dit getal staat voor het aantal mensen dat iemand met het virus besmet. Het laat zien hoe snel een bepaalde variant zich kan verspreiden. 

Volgen van varianten in Nederland

De WHO en het ECDC publiceren wekelijks overzichten met zorgelijke varianten (Variants of Concern - VOC), ‘interessante’ varianten (Variants of Interest - VOI) en varianten die gevolgd worden (Variants Under Monitoring-VUM). Deze varianten worden in kaart gebracht vanwege hun (mogelijke) risicovolle kenmerken en mate van verspreiding. Het RIVM volgt en adviseert de WHO en het ECDC hierin.

In de kiemsurveillance worden wekelijks steekproefsgewijs monsters onderzocht. Dit zijn monsters van mensen die positief zijn getest in een GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst-teststraat of ziekenhuis. Dat begon met tientallen monsters per week in 2020. Steeds meer laboratoria zijn gaan meedoen en inmiddels analyseert het RIVM wekelijks ongeveer 1800 monsters, waarvan zo’n 1500 uit de willekeurige steekproeven van de kiemsurveillance.

Resultaten kiemsurveillance

In onderstaande tabel staan de resultaten uit de kiemsurveillance voor de VOC en VOI van de WHO en het ECDC European Centre for Disease Prevention and Control. Het totaal aantal onderzochte monsters in de kiemsurveillance omvat naast de varianten in deze tabel alle andere varianten. Het gaat hierbij om de monsters die succesvol zijn geanalyseerd. De monsters die niet succesvol zijn geanalyseerd, staan niet in deze tabel. De onderliggende data zijn openbaar. Daarin staan ook de gegevens van de actuele VUM.  

Weeknummer Totaal 2022/01 2021/52 2021/51 2021/50 2021/49 2021/48 2021/47 2021/46 2020/49 t/m 2021/45
Aantal onderzochte monsters 79649 1521 1732 1621 1864 1880 1899 1927 1894 65311
Alfa (B.1.1.7)  26267 0 0 0 0 0 0 0 0 26267
Beta (B.1.351)  439 0 0 0 0 0 0 0 0 439
Gamma (P.1)  385 0 0 0 0 0 0 0 0 385
Delta (B.1.617.2) 44170 197 610 1157 1695 1851 1888 1923 1894 32955
AY.4.2* 479 1 16 50 59 59 50 50 44 150
Mu (B.1.621) 46 0 0 0 0 0 0 0 0 46
Lambda (C.37) 11 0 0 0 0 0 0 0 0 11
Omikron (B.1.1.529) 3120 1324 1122 463 168 28 11 4 0 0

Download uitgebreide tabel

De data uit de kiemsurveillance worden wekelijks bijgewerkt. Er kunnen t/m week 52  van 2021 af en toe nog nieuwe meldingen komen vanuit de inzendingen van de laboratoria die (nieuw) meedoen in de kiemsurveillance. Week 1 (2022) is nog niet compleet. Daarnaast kunnen aantallen per week afwijken ten opzichte van voorgaande publicaties door updates van afname datum van monsters of door een andere classificering van het monster (bron- en contactopsporing i.p.v. aselecte steekproef) in het registratiesysteem. Deze weekcijfers worden achteraf steeds bijgewerkt.         

Met ingang van 26 November 2021 is B.1.1.529 geëscaleerd door ECDC en WHO naar VOC  en wordt daarom vanaf nu meegenomen in deze tabel. B.1.616, B.1.620, B.1.427/429 (Epsilon), P.3 (Theta), B.1.525 (Eta), B.1.526 (Iota), B.1.617.1 (Kappa) en  P.2 (Zeta) zijn door zowel WHO en ECDC gedeëscaleerd en worden daarom niet meer vermeld. 

*De aantallen van AY.4.2 zijn ook opgenomen in de totale aantallen van de deltavariant (B.1.617.2).                                                                                                        

grafiek verdeling Delta Omikron 21 januari 2022

Grafiek 1. In de grafiek zijn de alfa-, delta- en de omikronvariant van het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome-CoV coronavirus-2 te zien. 

Verschil in eiwitten

De verschillen in de virusvarianten lijken tot nu toe vooral te zitten in veranderingen aan het ‘spike-eiwit’, de stekeltjes van het coronavirus. De eiwitten van deze virusvarianten kunnen zich mogelijk beter aan menselijke cellen hechten.

Alfavariant B.1.1.7 (Britse variant)

In december 2020 werd de alfavariant van het virus ook in Nederland aangetroffen. Deze alfavariant verdrong toen de oude variant van het virus. In de zomer van 2021 werd de alfavariant ‘verdrongen’ door de besmettelijkere deltavariant. 

Bètavariant B.1.351 (Zuid-Afrikaanse variant)

De bètavariant werd in Nederland begin januari 2021 vastgesteld. Ook deze variant van het virus lijkt, net als de alfavariant, besmettelijker te zijn dan de oude variant die we tot dan toe vooral in Nederland hadden. Inmiddels wordt deze variant niet meer in de kiemsurveillance aangetroffen.  

Gammavariant P.1 (Braziliaanse variant)

De gammavariant P1 werd vooral gevonden bij uitbraken in- en om Manaus, de hoofdstad van de Braziliaanse staat Amazonas. Er is bij deze variant nog geen duidelijkheid of de ziekte anders verloopt. De variant heeft onder andere drie veranderingen in het Spike-eiwit, de stekeltjes van het coronavirus, die als zorgelijk worden beschouwd. Deze drie veranderingen zijn vrijwel identiek aan de veranderingen in de bètavariant (Zuid-Afrika). Bij deze variant lijkt de afweer door vaccinatie of doordat je het virus al eens hebt gehad mogelijk minder goed te zijn. Deze variant wordt op dit moment niet meer gezien in de kiemsurveillance.

Delta-variant B.1.617.2 (Indiase variant)

In oktober  2020 werd in India voor het eerst variant B.1.617.2 vastgesteld. De deltavariant (B.1.617.2) verdrong in de zomer van 2021 de alfavariant (Britse variant) als dominante virusvariant in Nederland. Op dit moment zijn alle infecties die zijn gekarakteriseerd in de kiemsurveillance veroorzaakt door de deltavariant. Dit beeld wordt wereldwijd gezien.  De deltavariant is veel  besmettelijker dan de alfavariant. De coronavaccins werken ook bij de deltavariant goed tegen ziekenhuis- en IC intensive care-opname. 

Voorkom besmetting met mutaties

Wat je kunt doen om verspreiding van het virus te voorkomen, is voor alle varianten van het coronavirus hetzelfde: blijf thuis als je klachten hebt en doe een zelftest of laat je testen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst, houdt afstand en was regelmatig je handen.  

Veelgestelde vragen

Hoe kunnen jullie zien welke variant van het coronavirus je hebt?

Je krijgt bij de uitslag van een test niet te horen met welke variant van het coronavirus je besmet bent. Een laborant kan bij het analyseren van een coronatest namelijk niet zien met welke variant iemand besmet is. Daarvoor is verder onderzoek nodig. Het zogenaamde sequencing. Dat betekent dat het virus, dat is afgenomen met een wattenstok in de neus en keel, verder wordt onderzocht. Met sequencing wordt gekeken naar de bouwstenen van het virus. Door te kijken hoe het virus is opgebouwd kun je kenmerkende ‘bouwsteentjes’ van een variant herkennen. Sequencing gebeurt steekproefsgewijs in een onderzoek dat de kiemsurveillance heet. 

Kunnen we met PCR polymerase chain reaction-testen de omikronvariant goed vaststellen?

Ja. Verschillende laboratoria, waaronder de referentielaboratoria van de WHO bij het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en Erasmus MC Erasmus University Medical Center, hebben hier onderzoek naar gedaan en dit bevestigd. PCR-testen tonen de aanwezigheid van een stukje genetisch materiaal van het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome-CoV coronavirus-2 aan in neus- en keelslijm. PCR-testen worden gebruikt om te bepalen of je het virus bij je draagt. Je krijgt bij de uitslag van een test niet te horen met welke variant van het coronavirus je besmet bent. Om dat te kunnen bepalen is verder onderzoek nodig. Het zogenaamde sequentieonderzoek. Dat betekent dat het virus, dat is afgenomen met een wattenstok in de neus en keel, verder wordt onderzocht. We kijken dan naar de bouwstenen van het virus. Door te kijken hoe het virus is opgebouwd kun je kenmerkende ‘bouwsteentjes’ van een variant herkennen. 

Werken de zelftesten ook goed bij de omikronvariant?

Ja, antigeentesten zijn ook goed om de omikronvariant vast te kunnen stellen. Dat geldt dus ook voor de zelftesten. Ook hier hebben verschillende laboratoria onderzoek naar gedaan en dit bevestigd. Het RIVM heeft dit gedaan voor een 6-tal zelftesten, zie onderzoek naar zelftesten bij de omikronvariant en voorgaand onderzoek van dezelfde zelftesten met wildtype virus.  Een zelftest is een antigeentest die geschikt is voor thuisgebruik. Antigeentesten kijken, net als PCR-testen, alleen of je het virus op dat moment bij je draagt. De test kijkt niet met welke variant van het coronavirus je besmet bent. Om dat te kunnen bepalen is verder onderzoek nodig. Hiervoor moet dan een nieuw monster afgenomen worden voor een PCR-test, waarna het zogenaamde sequentieonderzoek volgt. Dat betekent dat het virus, dat is afgenomen met een wattenstok in de neus en keel, verder wordt onderzocht. We kijken dan naar de bouwstenen van het virus. Door te kijken hoe het virus is opgebouwd kun je kenmerkende ‘bouwsteentjes’ van een variant herkennen. 

Vinden we de virusvarianten ook in het rioolwater?

Ja. Ook het rioolwater wordt onderzocht op de aanwezigheid van verschillende varianten van het coronavirus. Sinds week 48 in 2021 (29 november tot en met 5 december) wordt de omikronvariant ook in het rioolwater gevonden. In de weken ervoor werd alleen de deltavariant in het rioolwater gevonden.