Als een virus zich vermenigvuldigt, kan het steeds een heel klein beetje veranderen. Meestal is die verandering (of mutatie) zo klein dat het bijna geen invloed heeft op hoe ziek je wordt en hoe het virus zich verspreidt. Soms zorgt een verandering er wel voor dat een virus zich anders gedraagt en bijvoorbeeld makkelijker verspreidt. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu houdt veranderingen in het coronavirus SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2 en de gevolgen ervan goed in de gaten.

Van virussen is bekend dat ze vaak veranderen. Van het coronavirus SARSsevere acute respiratory syndrome-CoV2 zijn al duizenden varianten. In het laboratorium onderzoekt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu welke varianten er in Nederland zijn en wat dat betekent voor de verspreiding in Nederland. Dit noemen we kiemsurveillance . Het is vooral belangrijk om te weten of de varianten die rondgaan ook nieuwe eigenschappen hebben die extra risico’s met zich meebrengen. Bijvoorbeeld omdat ze makkelijker overgedragen worden, omdat mensen er zieker van worden, of omdat de virusvarianten minder goed op vaccinatie reageren. 

Varianten in Nederland

Er zijn vele varianten van het coronavirus SARS-CoVcoronavirus-2 die wereldwijd circuleren en een aantal daarvan wordt verder gevolgd en onderzocht. De WHO heeft eind februari benoemd welke varianten als zorgelijk worden gezien (Variants of Concern) en welke als ‘interessant’ (Variants of Interest). Deze varianten worden zorgvuldig gevolgd en in kaart gebracht vanwege hun (mogelijke) risicovolle kenmerken en mate van verspreiding. Het RIVM volgt de adviezen van de WHO hierin. Ook volgen we via de nationale Kiemsurveillance samen met laboratoria in Nederland, de in Nederland aanwezige varianten van het coronavirus SARS-CoV-2.

Ook in Nederland wordt onderzoek gedaan naar varianten van het virus. Het RIVM is eind 2020 gestart met de kiemsurveillance waarbij wekelijk steekproefsgewijs monsters worden onderzocht. Dat begon met tientallen monsters per week. Er zijn steeds meer laboratoria gaan meedoen en inmiddels analyseert het RIVM wekelijks ongeveer 1200 monsters, waarvan zo’n 1000 uit de willekeurige steekproeven van de kiemsurveillance. In onderstaande tabel staan de resultaten uit deze kiemsurveillance. 

Het totaal aantal onderzochte monsters in de kiemsurveillance omvat naast de varianten in deze tabel alle andere varianten. Het gaat hierbij om de monsters die succesvol zijn geanalyseerd. De monsters die niet succesvol zijn geanalyseerd, staan niet in deze tabel.

Weeknummer Aantal onderzochte monsters Britse variant* Zuid-Afrikaanse variant* Braziliaanse variant P1* Britse variant met E484K mutatie** De variant B.1.525 + E484K + F888L**
2020/49 77 1        
2020/50 118 1        
2020/51 190 1        
2020/52 238 5 1      
2020/53 204 9 1      
2021/1 334 32        
2021/2 270 43 2      
2021/3 536 125 3 1    
2021/4 786 194 14      
2021/5 774 238 16   1 5
2021/6 479 169 15      
Totaal   818 52 1 1 5

*Door WHO benoemd als  'zorgelijk' (variants of concern); **Door WHO benoemd als 'interessant' (variants of interest).

De data uit de kiemsurveillance worden wekelijks bijgewerkt. Er kunnen tot en met week 4 van 2020 af en toe nog nameldingen uit de inzendingen van de laboratoria die meedoen in de kiemsurveillance. De cijfers van de laatste twee weken zijn in ieder geval nog niet compleet. Deze weekcijfers worden achteraf steeds bijgewerkt.

Verschil in eiwitten

Het verschil in de Britse, Zuid-Afrikaanse, Braziliaanse varianten en de B.1.525 variant lijkt vooral te zitten in de veranderingen aan het ‘spike-eiwit’, de stekeltjes van het coronavirus. De eiwitten van deze virusvarianten kunnen zich mogelijk beter aan menselijke cellen hechten.

De Britse variant

In december 2020 werd de Britse variant van het virus ook in Nederland aangetroffen. Dit gebeurde in het laboratorium van het RIVM. De Britse variant wint intussen steeds meer terrein in Nederland. Steeds meer mensen raken besmet met deze variant.

Inmiddels is uit onderzoek in het Verenigd Koninkrijk duidelijk geworden dat mensen die daar besmet raken met de Britse variant zieker werden en vaker kwamen te overlijden dan het geval was bij de 'oude' varianten. Het reproductiegetal van de Britse variant ligt naar schatting hoger dan bij de oude variant. Dit getal staat voor het gemiddeld aantal mensen dat iemand met COVID-19 besmet. 

Ook kinderen kunnen besmet raken met de Britse variant, ook al gebeurt dat minder vaak dan bij volwassenen. Onderzoek in de gemeente Lansingerland toonde dit aan. Waarschijnlijk ontwikkelen kinderen iets vaker (milde)klachten als ze besmet raken met de Britse variant. De klachten zijn over het algemeen milder dan die bij volwassenen. Besmette kinderen kunnen het virus doorgeven binnen een huishouden en ook op school. Het is nog niet duidelijk of basisschoolkinderen de variantvirussen ook minder vaak overdragen dan volwassenen, zoals dat wel het geval is bij het ‘oude’ type. Voor nu zijn er geen aanwijzingen dat de vaccinatie niet beschermt tegen de Britse variant van het virus. Wereldwijd wordt dat goed in de gaten gehouden.

Zorgelijke verandering in Britse variant ( E484K) 

Virussen muteren voortdurend. Soms ondervindt een virusvariant voordeel van bepaalde mutaties, bijvoorbeeld doordat het sneller verspreidt. Dit soort mutaties geven de virusvarianten een voordeel ten opzichte van de oude, circulerende varianten. Sommige mutaties kunnen onafhankelijk van elkaar bij verschillende varianten in de wereld opduiken. Het Verenigd Koninkrijk maakte eerder al melding van het optreden van een nieuwe mutatie in de Britse variant, E484K, in het ‘spike-eiwit’.   Deze E484K-mutatie wordt als zorgelijk beschouwd en is eerder aangetoond in de Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse varianten. Bij deze E484K-mutatie is de opgebouwde afweer na vaccinatie of na een eerdere besmetting mogelijk minder goed. Ook is de mutatie waarschijnlijk van invloed op de sterkte van de binding van het virus aan cellen in ons lichaam. Deze E484-mutatie in de Britse variant is ook in Nederland in de kiemsurveillance aangetoond.

De Zuid-Afrikaanse variant 

De Zuid-Afrikaanse variant werd in Nederland begin januari 2021 vastgesteld. Ook deze variant van het virus lijkt, net als de Britse variant, besmettelijker te zijn dan de variant die we tot nu toe in Nederland hadden, net als de Britse variant. Hoe het virus reageert op de huidige vaccins, wordt momenteel wereldwijd onderzocht.

Er is tot nu toe geen reden om aan te nemen dat het ziekteverloop van de Zuid-Afrikaanse variant anders of ernstiger is dan bij de oude variant. 

De Braziliaanse variant

Er zijn in Nederland twee nieuwe varianten van het coronavirus gevonden die beide hun oorsprong in Brazilië hebben. Het gaat om de P1- en de P2-variant. 
De P1-coronavariant werd vooral gevonden bij uitbraken in- en om Manaus, de hoofdstad van de Braziliaanse staat Amazonas. Er is bij deze variant nog geen duidelijkheid of de ziekte anders verloopt. De variant heeft onder andere drie veranderingen in het Spike-eiwit, de stekeltjes van het coronavirus, die als zorgelijk worden beschouwd. Deze drie veranderingen zijn vrijwel identiek aan de veranderingen in de Zuid-Afrika variant. Bij deze variant lijkt de afweer door vaccinatie of doordat je het virus al eens hebt gehad mogelijk minder goed te zijn. Dit wordt momenteel (inter)nationaal onderzocht.
De P2-coronavariant is een variant die breed verspreid in Brazilië voorkomt. Bij deze variant lijkt de afweer door vaccinatie of doordat je het virus al eens hebt gehad mogelijk minder goed te zijn. Ook bij deze variant is nog veel onduidelijk over de manier waarop de ziekte verloopt. 

De variant B.1.525

In de kiemsurveillance, in de regio Rotterdam-Rijnmond en de regio Limburg Noord is een nieuwe coronavariant (B.1.525) gevonden. Deze variant werd voor het eerst in Denemarken gemeld. Ook deze variant heeft de mutatie E484K samen met een andere kenmerkende mutatie (F888L). Nader onderzoek vindt momenteel plaats in Denemarken en Nederland.

Voorkom besmetting met mutaties

Voor alle varianten van het coronavirus geldt: houd je aan de maatregelen. Laat je zo snel mogelijk testen bij (milde) klachten en volg isolatie- en quarantainemaatregelen strikt op. Als er een besmetting met één van de varianten wordt aangetroffen, start de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst bron- en contactonderzoek op.