Uit verschillende studies is naar voren gekomen dat omwonenden van veehouderijen meer gezondheidsklachten rapporteren dan de algemene bevolking of controlegroepen. Het betreft bijvoorbeeld luchtwegklachten, irritatie van de ogen, stress, hartkloppingen, hoofdpijn, misselijkheid, en aantasting van de stemming (Nimmermark et al., 2004). Ook rapporteren omwonenden van veehouderijen een lagere kwaliteit van leven en/of welzijn dan vergelijkbare groepen (Schiffman, 1998; Wing en Wolf, 2000; Nimmermark et al., 2004). Dit gaat allemaal om zelfgerapporteerde klachten. De laatste jaren is een aantal grote onderzoeken uitgevoerd waarbij ook blootstellingsmetingen zijn gedaan en klinische gezondheidseffecten bekeken.

In Nederland gaat het om:

  • het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG), uitgevoerd in het oostelijk deel van Brabant en Noord-Limburg in 2011;
  • het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 1, 2 en 3), uitgevoerd in het oostelijk deel van Brabant en Noord- Limburg, met meerdere publicaties in de jaren 2016-2020. Dit is herhaald in 2019 in Gelderland, Utrecht en Overijssel (Smit et al., 2019).

In de volgende paragrafen wordt beschreven welke gezondheidseffecten volgens recent onderzoek al dan niet samenhangen met het wonen nabij veehouderijen. De resultaten uit de genoemde onderzoeken zijn ook samengevat in de Handreiking Veehouderij en Gezondheid omwonenden (InfoMil, 2019c). Dat overzicht is opgenomen in het Overzicht Gezondheidseffecten omwonenden veehouderij bij deze richtlijn.

Dat omwonenden van veehouderijen gemiddeld vaker last hebben van luchtwegklachten is al langer bekend (Nimmermark, 2004; Radon et al., 2007). Het VGO 1- en 2-onderzoek vond onder omwonenden ook meer problemen van de lage luchtwegen (Dijk et al., 2015, Hagenaars et al., 2017).

Longfunctie

Radon et al. (2007) vonden een (7%) lagere longfunctie onder omwonenden in gebieden met veel veehouderijen. Fijn stof en endotoxinen zouden hier een rol in kunnen spelen. Amerikaanse studies rondom veehouderijen hebben een verband gevonden tussen fijn stof (PM2,5) en longfunctiedaling en luchtwegklachten (Loftus et al., 2015; Schinasi et al., 2013). Gezondheidsklachten als kortademigheid, een zere keel en misselijkheid werden gerelateerd aan endotoxineniveaus. Ook werd er een verband gevonden tussen oogirritaties en luchtwegklachten en geurhinder (Schinasi et al., 2013).

Uit de VGOLivestock farming and the health of local residents-onderzoeken (Maassen et al., 2016, Hagenaars et al., 2017) komt naar voren dat bewoners van veedichte gebieden (meer dan 15 bedrijven binnen een straal van 1 kmkilometer) vaker een verminderde longfunctie hebben. Het effect is sterker naarmate het aantal bedrijven binnen 1 km toeneemt. De afstand tot veehouderijen is hierbij niet van invloed. Uit dit onderzoek blijkt ook dat bewoners in het hele VGO-gebied een afname van de longfunctie hebben bij verhoogde ammoniakconcentraties in de lucht op dagen voorafgaand aan de longfunctiemeting. Een mogelijke oorzaak van de vermindering van de longfunctie is niet de blootstelling aan ammoniak zelf maar is mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijn stof (zie Veelvoorkomende emissies uit de veehouderij, fijn stof emissies).

Longontsteking

In een straal van 2 km rond geitenhouderijen komt een verhoogde incidentie van longontstekingen voor (Hagenaars et al., 2017; IJzermans, et al., 2018, Smit et al., 2019). Daarbij is er een relatie met de afstand; hoe dichter mensen bij een geitenhouderij wonen, des te groter de kans op longontsteking. Dit verband werd eerder ook gevonden voor pluimveebedrijven (Hagenaars et al., 2017, Poulsen et al., 2017), maar een relatie met pluimveebedrijven is in het VGO3-onderzoek niet meer aangetoond (IJzermans et al., 2018). Voor pluimveebedrijven zijn er aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan (onder andere endotoxinen) mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties (Smit, et al., 2017). Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van de dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek.

Relatie met endotoxinen

Recent werd in een literatuurstudie en in een heranalyse van gezondheidsdata uit het VGO-onderzoek een (zwak) verband gevonden tussen respiratoire symptomen (luchtwegklachten, acute en chronische longfunctieveranderingen, ontstekingsreacties) en blootstelling aan endotoxineconcentraties in de lucht (< 100 EUEuropean Union /m3) (Heederik et al., 2019).

Opvallend is dat omwonenden van veehouderijen, net als mensen die zijn opgegroeid op veehouderijen, minder allergische klachten hebben (Radon et al., 2007; Schulze et al., 2007; Smit et al., 2007; Maassen et al., 2016; Hagenaars et al., 2017). Ook komt er minder COPDchronic obstructive pulmonary disease en astma voor rondom veehouderijen (behalve rondom nertsenbedrijven). Echter, mensen die aan COPD lijden ondervinden wel meer complicaties en

gebruiken meer medicijnen (Heederik en IJzermans, 2011; Smit et al., 2014; VGO, 2016, 2017). Andere onderzoeken wijzen op een verband tussen verhoogde endotoxineconcentraties en het minder voorkomen van allergieën (Portengen et al., 2005; Smit et al., 2008; Lluis en Schaub, 2012).

Hygiënehypothese

Een verklaring hiervoor kan zijn dat een regelmatige blootstelling aan micro-organismen, zoals endotoxinen, beschermt tegen de ontwikkeling van allergieën, astma en COPD. Dit wordt de hygiënehypothese genoemd (Braun-Fahrlander et al., 2002). De hygiënehypothese gaat uit van een beschermend immunologisch effect door de aanwezigheid van een grotere microbiële diversiteit in de leefomgeving van bewoners van veehouderijen.

Opgroeien op een boerderij (met name in het eerste levensjaar) is geassocieerd met een lagere kans op allergische sensibilisatie, hooikoorts en astma (Campbell et al., 2014; Illi et al., 2012). Bij sommige studies zijn individuele factoren onderzocht, bijvoorbeeld of de kinderen zelf in stallen komen, contact met dieren hebben, rauwe melk drinken (Illi et al., 2012), en in welke mate ze blootgesteld zijn aan endotoxine en andere microbiële agentia. Het is niet mogelijk om hier algemene conclusies uit te trekken, of om te zeggen welke factoren het beschermende ‘boerderij- effect’ verklaren (Genuneit, 2012). De hygiënehypothese is hiervoor op het moment de meest gangbare verklaring. Op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur valt niet te zeggen of ‘af en toe op een boerderij aanwezig zijn’ kinderen kan beschermen tegen het ontwikkelen van allergie of astma.

Overdracht van zoönosen vindt voornamelijk plaats via voedsel of door direct contact met dieren of mest. Ziekteverwekkers die zich via de lucht (of via stof en aerosolen die door de lucht zweven) verspreiden, kunnen vooral bij uitbraken van besmettelijke dierziekten een risico vormen voor omwonenden. Uit het VGOLivestock farming and the health of local residents-onderzoek (dus onder normale omstandigheden) bleek dat verschillende ziekteverwekkers zoals hepatitis E-virus, Clostridium difficile en resistente ESBLExtended spectrum beta-lactamases-bacteriën, niet vaker voorkomen bij mensen die dichtbij een veehouderij wonen dan bij mensen die verder weg wonen.

Beleving

Veehouderij roept vaak de angst voor zoönosen op. Uit de Volwassenenmonitor van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en in Brabant blijkt dat circa 25-45% van bewoners zich ongerust maakt over zoönosen, antibioticaresistentie en fijn stof (Bron: brabantscan.nl). Dat is te begrijpen omdat er in 2007-2011 in die regio veel omwonenden van besmette geitenbedrijven ziek zijn geworden door Q-koorts.

Q-koorts

Er bestaat een verband tussen de uitbraak van Q-koorts bij grote geitenbedrijven en Q-koorts bij omwonenden (Heederik en IJzermans, 2011; Smit et al., 2012). Verschillende onderzoeken laten zien dat afstand hierbij een rol speelt: de infectierisico’s nemen af naarmate de afstand tot een besmet bedrijf groter wordt (Schimmer et al., 2010; Brandsen-Schreijer et al., 2010; Van den Berg et al., 2013). Ruwweg hadden omwonenden die binnen vijf kilometer van een geiten- of schapenbedrijf woonden een verhoogde kans op infectie (Maassen et al., 2012).

Door de uitbraak van Q-koorts zijn ongeveer 95 mensen overleden. De kans op infectie is door diverse beheersmaatregelen zoals ruimen en vaccineren van schapen en geiten sterk gereduceerd. De huidige beheersmaatregelen zijn terug te vinden op de website van de NVWA. Het aantal Q-koortsbesmettingen in Nederland is terug naar het niveau van voor de Q-koortsuitbraak (2007- 2011).

MRSAMethicilline-resistente Staphylococcus aureus /v-MRSA

Ongeveer 0,2% van de algemene bevolking is drager van MRSA (Den Heijer, 2013). Onder Nederlandse veehouders is ongeveer 24-63% (verschilt per studie en diersoort) drager van v-MRSA (Bisdorff et al., 2012; van den Broek et al., 2009; van Cleef et al., 2014; Graveland et al., 2010). Mensen zonder contact met vee kunnen ook langdurig drager zijn van v-MRSA (Bosch et al., 2016; Meijs et al., 2020). In de VGO-studie bleek dat 0,6% van de mensen die in het gebied wonen, maar niet op een veehouderij wonen, drager te zijn van MRSA, 0,4% was drager van v-MRSA (Zomer et al., 2017). In het VGO-onderzoek is gekeken naar de relatie tussen afstand tot veehouderijen en dragerschap van v-MRSA bij omwonenden (Maassen et al., 2016). Gezien het lage aantal dragers, moet voorzichtigheid worden betracht bij de conclusies, maar de studie geeft aan dat er mogelijk een relatie is tussen het wonen in de omgeving van veehouderijen en dragerschap van v-MRSA. Transmissie via de lucht vanuit bedrijven is dus niet uit te sluiten.

Overige zoönosen/ziekteverwekkers

Verder is er weinig onderzoek gedaan naar het risico op infecties voor omwonenden, waardoor er geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan over infectierisico’s bij omwonenden van veehouderijen (Maassen et al., 2012). Er zijn – naast Q-koorts – maar enkele gevallen waarin er een verband lijkt te zijn tussen blootstelling aan micro-organismen en infecties met zoönosen.

  • In 2003 werd een mogelijke relatie gezien tussen de aanwezigheid van pluimveebedrijven en campylobacterinfecties (EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit Panel on Biological Hazards B, 2010; Friesema et al., 2012), maar er zijn nog geen andere onderzoeken die dit ondersteunen.
  • Mensen kunnen ook besmet raken met varkensgriep. Het komt echter zelden voor en alleen bij mensen die veel in direct contact komen met varkens (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2016).

Zoönoseverwekkers samengevat

In de Tabel 'Samenvatting zoönoseverwekkers' staan de genoemde zoönoseverwekkers samengevat, voor wat betreft de belangrijkste transmissieroute, de overdraagbaarheid van mens op mens en hun mogelijke gezondheidseffect bij mensen.

Tabel: Samenvatting zoönoseverwekkers (situatie Nederland)

Bron: Dusseldorp et al., (2015)
 

Belangrijkste transmissie-
route

 

Overdraagbaar
mens op mens

 

Effect

 

Opmerking

 

v-MRSAMethicilline-resistente Staphylococcus aureus

Direct dier-contact

Gering

Symptoomloos dragerschap

O.a. huidinfecties Antibiotica slaan niet aan
 

ESBLExtended spectrum beta-lactamases-producerende bacteriën

direct dier- contact, voedsel, mens op mens  

Symptoomloos dragerschap
 
O.a. urineweg- infecties
Antibiotica slaan niet aan

 
Coxiella burnetii

Direct contact met besmet materiaal, aerosolen in de omgeving

Nee (chronische) Q- koorts, QVSQ-koorts vermoeidheidssyndroom (Q- koortsvermoeid- heidsyndroom)  
Campylobacter Voedsel, direct diercontact Ja Diarree

Milieu-overdracht mogelijk ook een route

Aviaire- influenzavirus

Lucht, meestal beroepsmatig blootgestelde personen

Zeer gering Griepachtige verschijnselen, oogontsteking Veel verschillende typen
Hepatitis E- virus Besmet voedsel, drinkwater, dieren Nee of gering Geen of milde verschijnselen, leverontsteking

Stijgende trend, blootstellings-routes onduidelijk

 

inder wordt vaak geassocieerd met verschillende gezondheidsklachten zoals stress, verstoring van gedrag en activiteiten en een lagere kwaliteit van leven. Hinder zelf is ook een gezondheidseffect. Hierbij is hinder een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid dat optreedt wanneer een milieufactor iemands gedachten, gevoelens of activiteiten negatief beïnvloedt (Gezondheidsraad, 1994).

Eerdere onderzoeken rapporteerden al een lagere kwaliteit van leven en/of welzijn, stress en aantasting van de stemming onder omwonenden van veehouderijen (Schiffman, 1998; Wing en Wolf, 2000; Nimmermark, 2004).

Onderzoek in Noord-Brabant en Noord-Limburg

 Onderzoek onder ruim 13.000 respondenten op het platteland van Noord-Brabant en Noord-Limburg (Geelen et al., 2015) liet een significant verband zien tussen blootstelling aan geur en geurhinder. Ook bleek uit dit onderzoek dat ernstige hinder optreedt. Het optreden van ernstige hinder wordt niet meegenomen in de wetgeving. De mate van hinder is afhankelijk van het diertype. Bij dezelfde mate van geurbelasting leidt de geur van pluimveehouderijen tot de meeste hinder, daarna de geur van varkensbedrijven en dan de geur van rundveebedrijven (zie Figuur Blootstellingsresponsrelaties…). De figuur laat ook zien dat Geelen et al. (2015) meer geurhinder vinden dan waar de huidige wetgeving (Handreiking Wet geurhinder Veehouderij) van uitgaat. Zie voor een uitgebreide beschrijving hiervan Fast et al., 2015 (Richtlijn Geur en gezondheid, onderdeel Veehouderij). Ook het Kennisbericht geur geeft hier uitleg over. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat luchtwassers slechter blijken te werken dan verondersteld.

Luchtwassers 

Luchtwassers hebben een belangrijke rol in de geurreductie. Uit WURWageningen University & Research- onderzoek (Melse et al., 2018) blijkt dat de effectiviteit van combiluchtwassers (die geur en fijn stof verwijderen) voor geurreductie lager is dan gedacht. Dit type luchtwassers reduceert de geuruitstoot met slechts 40% in plaats van de veronderstelde 80%. Dit betekent dat er gemiddeld drie keer zoveel geur in de buitenlucht komt dan werd verwacht bij veehouderijen met combiluchtwassers. Inmiddels zijn de emissiefactoren voor vee gehouden in stallen met een combiluchtwasser aangepast. Voor bestaande situaties onderzocht een landelijke commissie mogelijke oplossingen (Biesheuvel, 2019). De commissie concludeert dat structurele veranderingen in de wet- en regelgeving nodig zijn om het geurhinderprobleem aan te pakken. 

Dat de feitelijke geurbelasting hoger blijkt te zijn dan verwacht, kan één van de verklaringen zijn waarom in het onderzoek van Geelen et al. (2015) meer geurhinder gerapporteerd werd. Nader onderzoek kan dit verduidelijken. Hiervoor wordt in 2020 een onderzoek gestart in het kader van de Academische werkplaats Milieu en Gezondheid. Overigens blijkt ook de ammoniakreductie uit de stallucht door deze combiluchtwassers lager dan gedacht. Het rendement voor het afvangen van fijn stof staat niet ter discussie.

Figuur. Blootstellingresponsrelaties voor cumulatieve geurbelasting en geurhinder van verschillende diertypen, dit betreft dierspecifieke geurbelasting en dierspecifieke geurhinder. Ter vergelijking zijn de blootstellingresponsrelatie voor alle diertypen en de blootstellingresponsrelatie in het concentratiegebied uit de Handreiking Wgv ook weergegeven (95% betrouwbaarheidsinterval). (Bron: Geelen et al. (2015))

  • Berg, E.J. van den, Wielders, C.C., Schneeberger, P.M., Wegdam-Blans, M.C. en Hoek, W. van der (2013). Spatial analysis of positive and negative Q fever laboratory results for identifying high- and low- risk areas of infection in the Netherlands. Infect Ecol Epidemiol. 2013 Nov 28;3. doi: 10.3402/iee.v3i0.20432. eCollection 2013.
  • Biesheuvel, P.J., Groothuijse, F., Jeurissen, E., Melse, R.W. en Poll, R. van (2019). Adviesrapport Geur bekennen combi-luchtwassers, varkenshouderijen en geurhinder.  
  • Bisdorff, B., Scholhölter, J.L., Claußen, K., Pulz, M., Nowak, D. en Radon, K. (2012). MRSAMethicilline-resistente Staphylococcus aureus -ST398 in livestock farmers and neighbouring residents in a rural area in Germany. Epidemiol Infect 140: 1800–1808. doi: 10.1017/S0950268811002378. pmid:22313681
  • Brandsen-Schreijer, A.J.M., Rump, B.O., Schimmer, B., Cox, C.P.G.E., Bergh, J.P.A.M. van den, Hulshof, F., Hulshof, K., Hoek W. van der en Woonink, F. (2010). Q-koortsuitbraak in de provincie Utrecht in 2009. Infectieziekten Bulletin jaargang 21(9).
  • Braun-Fahrlander, C., Riedler, J., Herz, U., Eder, W., Waser, M., Grize, L., Maisch, S., Carr, D., Gerlach, F., Bufe, A., Lauener, R.P., Schierl, R., Renz, H., Nowak, D. en Mutius, E. von (2002). Environmental exposure to endotoxin and its relation to asthma in school-age children. The New England journal of medicine 347, 869-877.
  • Broek, I.V.F. van den, Cleef, B.A.G.L. van, Haenen, A., Broens, E.M., Wolf, P.J. van der en Broek, M.J.M. van den, et al. (2009). Methicillin-resistant Staphylococcus aureus in people living and working in pig farms. Epidemiol Infect 137: 700–708. doi: 10.1017/S0950268808001507. pmid:18947444.
  • Bosch et al., 2016
  • Campbell BE, Lodge C.J. Lowe A.J. Burgess J.A., Matheson M.C., Dharmage S.C. (2014) Exposure to ‘farming’ and objective markers of atopy: a systematic review and meta‐analysis.  
  • Cleef, B.A.G.L. van, Benthem, B.H.B. van, Verkade, E.J.M., Rijen, M. van, Kluytmans-van den Bergh, M.F.Q. en Schouls, L.M., et al (2014). Dynamics of methicillin-resistant Staphylococcus aureus and methicillin-susceptible Staphylococcus aureus carriage in pig farmers: a prospective cohort study. Clin Microbiol Infect. 20: O764–771. doi: 10.1111/1469-0691.12582. pmid:24494859
  • Dijk, C.E. van, Zock, J.P., Smit, L.A.M., Borlée, F., Spreeuwenberg, P., Heederik, D.J.J. en IJzermans, C.J. (2015). Luchtwegklachten in landelijke gebieden met een hoge en lage dichtheid aan veehouderijbedrijven: analyses van acht jaar gegevens.
  • Dusseldorp A.  Maassen C.B.M., Heederik D.J.J., Fischer P.H. (2015).  Veehouderij en gezondheid : Update van kennis over werknemers en omwonenden. RIVM rapport 2015-0135
  • EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit Panel on Biological Hazards B (2010). Scientific Opinion on Quantification of the risk posed by broiler meat to human campylobacteriosis in the EUEuropean Union . EFSA Journal 8(10): 1437.
  • Fast, T., Geelen, L.M.J., Meeuwsen, E.J., Sluis, N.I., Stouwe, N. van der, Zandt, I. en Venselaar-Mooij, M. (2015). GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn medische milieukunde Geur en Gezondheid. RIVM Rapport 2015-0106.
  • Friesema, I.H., Havelaar, A.H., Westra, P.P., Wagenaar, J.A. en Pelt, W. van (2012). Poultry culling and Campylobacteriosis reduction among humans, the Netherlands. Emerg Infect Dis 18(3): 466- 468.
  • Geelen, L.M.J., Boers, D., Brunekreef, B. en Wouters, I.M. (2015). Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking WvG doet vermoeden? Actualisatie blootstellingresponsrelatie tussen gemodelleerde cumulatieve geurbelasting en geurhinder in Noord-Brabant en Limburg. Rapport Bureau GMVGezondheid, Milieu en Veiligheid en IRASInstitute of Risk Assessment Sciences. INT-14108200.
  • Genuneit, J. (2012). Exposure to farming environments in childhood and asthma and wheeze in rural populations: a systematic review with meta‐analysis. Pediatr Allergy Immunol 2012: 23 : 509–518.
  • Gezondheidsraad (1994). Geluid en gezondheid. Gezondheidsraad, 1994/15.
  • Hagenaars, T., Hoeksma, P., Roda Husman, A.M. de, Swart, A. en Wouters, I. (2017). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen (No. 2017-0062). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
  • Heederik, D.J.J. en IJzermans, C.J. (2011). Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. IRAS universiteit, NIVEL, 7 juni 2011. 
  • Heederik, D., Erbrink, H., Farokhi, A., Hagenaars, T., Hoek, G., Ogink, N., Rooij, M. de, Smit, L., Winkel, A. en Wouters. I. (2019). Risicomodellering veehouderij en gezondheid (RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen): modellering van regionale endotoxineconcentraties en relaties met gezondheidseffecten. Rapport nummer: IRAS UUUniversiteit Utrecht 2019-01 / WBVRWageningen Bioveterinary Research- 1910304. Utrecht, Wageningen, Arnhem, Lelystad, februari 2019.
  • Illi, S., Depner, M., Genuneit, J., Horak, M.D., Loss, G., Strunz, C., Lehner, M.P., Buchele, G., Boznanski, M.D., Danielewicz, H., Cullinan, P., Heederik, D., Braun-Fahrländer, M.D., Mutius, E. von (2012). Protection from childhood asthma and allergy in Alpine farm environments—the GABRIEL Advanced Studies. Journal of Allergy and Clinical Immunology. Volume 129, Issue 6, June 2012, Pages 1470-1477.e6.
  • Lluis, A. en Schaub, B. (2012). Lesson from the farm environment. Curr Opin Allergy Clin Immunol. 2012 Apr;12(2):158-63. doi: 10.1097/ACI.0b013e32835109a8.
  • Loftus, C., Yost, M., Sampson, P., Arias, G., Torres, E., Breckwich- Vasquez, V., Bhatti, P. en Karr, C. (2015). Regional PM2.5 and asthma morbidity in an agricultural community: A panelstudy. Env. Res.136 (2015) 505–512.< li/>
  • Maassen, K., Smit, L., Wouters, I., Duijkeren, E. van, Janse, I., Hagenaars, T. en Heederik, D. (2016). Veehouderij en gezondheid omwonenden. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu rapportnummer 2016-0058.
    Maassen, C.B.M., Duijkeren, E. van, Duynhoven, Y.T.H.P. van, Dusseldorp, A., Geenen, P., Koeijer, A.A. de, Koopmans, M.P.G., Loos, F., Jacobs-Reitsma, W.F., Jonge, R. de en Giessen, A.W. van de (2012). Infectierisico’s van de veehouderij voor omwonenden. RIVM Rapport 609400004.
  • Meijs, A.P., Hengeveld, P.D., Dierikx, C.M., Maassen, C.B.M., Greeff, S.C. de, Haan, A. de, Bosch, T. en Duijkeren, E. van, Prolonged carriage of (livestock-associated) MRSA in individuals without professional livestock contact. J Antimicrob Chemother. 2020 Mar 3.
  • Melse, R.W., Nijeboer, G.M. en Ogink, N.W.M. (2018). Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen; Deel 1; Oriënterend onderzoek naar werking gecombineerde luchtwassers en verschillen tussen geurlaboratoria. Wageningen URWageningen University en Research (University & Research centre) Livestock Research, Livestock Research Rapport 1081.
  • Melse, R.W., Nijeboer, G.M. en Ogink, N.W.M. (2018). Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen; Deel 2: Steekproef rendement luchtwassers in de praktijk. Wageningen Livestock Research, Rapport 1082.
  • Nimmermark, S. (2004). Odour Influence on Well-being and health with specific focus on animal production emissions. Ann. Agric. Environm. Med 2004,11,163-173.
  • Poulsen, M.N., Pollak, J., Sills D.L., Casey, J.A., Nachman, K.E., Cosgrove, S.E., Dalton, S. en Schwartz, B.S. (2018). High-density poultry operations and CAP in Pennsylvania. Environmental Epidemiology: June 2018 - Volume 2 - Issue 2 - p e013.
  • Portengen, L., Preller, L., Tielen, M., Doekes, G. en Heederik, D. (2005). Endotoxin exposure and atopic sensitization in adult pig farmers. J Allergy Clin Immunol 115, 797-802.
    Radon, K., Schulze, A., Ehrenstein, V., Strien, R.T. van, Praml, G.,Nowak, D. (2007). Environmental exposure to confined animal feeding operations and respiratory health of neighboring residents. Epidemiology. 2007 May;18(3):300-8.
  • Schiffman, S. (1998). Livestock Odours: Implications for Human Health and Well-being. J. Anim. Sci 1998, 76:1343-1355.
  • Schimmer, B., Ter Schegget, R., Wegdam, M., Zuchner, L., Bruin, A. de en Schneeberger, P.M., et al. (2010). The use of a geographic information system to identify a dairy goat farm as the most likely source of an urban Q-fever outbreak. BMC Infect Dis, Maart 16(10): 69.
  • Schinasi, L., Wing, S., MacDonald, P.D., Richardson, D.B., Stewart, J.R., et al. (2013). Medical and household characteristics associated with methicillin resistant staphylococcus aureus nasal carriage among patients admitted to a rural tertiary care hospital. PloS one 8:e73595.
  • Schulze, A., Strien, R.T. van, Praml, G., Nowak, D. en Radon, K. (2007). Characterisation of asthma among adults with and without childhood farm contact. Eur-Respir-J. 2007 Jun; 29(6): 1169-73.
  • Smit, L.A.M., Heederik, D., Doekes, G., Blom, C., Zweden, I. van en Wouters, I.M. (2008). Exposure-response analysis of allergy and respiratory symptoms in endotoxin-exposed adults. Eur Respir J 31, 1241-1248.
  • Smit, L.A.M., Hooiveld, M., Sman-de Beer, F. van der, Opstal-van Winden, A.W., Beekhuizen, J., Wouters, I.M., IJzermans, C.J. en Heederik, D. (2014). Air pollution from livestock farms, and asthma, allergic rhinitis and COPDchronic obstructive pulmonary disease among neighbouring residents. Occup Environ Med. 2014 Feb;71(2):134-40. doi: 10.1136/oemed- 2013-101485. Epub 2013 Aug 23.
  • Smit, L.A.M, Huss, A., Jacobs, J., Baliatsas, C., Dückers, M., Boender, G.J., McCarthy, C., Hagenaars, T., IJzermans, J. en Heederik, D. (2019). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III (2019). Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht. Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS), Universiteit Utrecht Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel), Utrecht Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Lelystad. IRAS, Utrecht, november 2019.
  • VGO (2016)
  • VGO (2017)
  • Wing, S. en Wolf, S. (2000). Intensive livestock operations, health, and quality of life among eastern North Carolina residents. Environ- Health-Perspect. 2000 Mar; 108(3): 233-8.
  • IJzermans, C.J., Smit, L.A.M., Heederik, D.J.J. en Hagenaars, T.J., VGOLivestock farming and the health of local residents III - Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014–2016
  • Zomer, T.P., Wielders, C.C., Veenman, C., Hengeveld, P., Hoek, W. van der, Greeff, S.C. de, Smit, L.A., Heederik, D.J., Yzermans, C.J., Bosch, T., Maassen, C.B. en Duijkeren, E. van, MRSA in persons not living or working on a farm in a livestock-dense area: prevalence and risk factors. J Antimicrob Chemother. 2017 Mar 1;72(3):893-899.