Zoals in het onderdeel Effecten op de gezondheid beschreven is, zijn er aanwijzingen dat gezondheidseffecten optreden bij omwonenden van veehouderijen. Dosis-effectrelaties, of inzicht in het oorzakelijk verband, ontbreken voor de meeste agentia. Wel is duidelijk dat onder de wettelijke normen gezondheidseffecten optreden. Bij elk gezondheidskundig advies van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst zijn daarom afwegingen over voorzorg en het belang van emissiereductie belangrijke uitgangspunten.

Voorzorg

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert om bij nieuwe ontwikkelingen de gezondheidsrisico’s mee te wegen in de besluitvorming. De GGD hanteert daarbij het voorzorgprincipe vanwege de onzekerheden die er zijn over gezondheidsrisico’s bij omwonenden van veehouderijen, en het belang van het beschermen van kwetsbare groepen. Op grond van deze onzekerheden hanteert de GGD afstandscriteria (zie pagina afstandscriterium met maatwerk).

Bij een adviesvraag kan de GGD inzicht geven in kennis over gezondheidseffecten (aard, omvang, ernst) en de mate van (on)zekerheid waarmee deze effecten veroorzaakt zijn door de veehouderij (aannemelijkheid van gevonden verbanden) en van de onzekerheden in de kennis over die effecten. Bij voorzorg is het ook van belang aan te geven wat de gevolgen kunnen zijn bij niet-handelen en te onderbouwen hoe aannemelijk het is dat de effecten optreden door de veehouderij (InfoMil, 2019). Of een ontwikkeling acceptabel is of niet, is een bredere afweging waarbij ook andere aspecten dan gezondheidsrisico’s meespelen. De afweging of een gezondheidsrisico acceptabel is, en om een bestemming wel of niet toe te staan, blijft altijd de taak en verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

Zoönosen en voorzorg

Voor zoönosen zijn geen dosis-effectrelaties beschikbaar. De Gezondheidsraad (2008) adviseert hierbij ‘om op een zorgvuldige, transparante en op de situatie toegesneden manier met onzekerheden om te gaan’. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR, 2014) pleit daarnaast voor het inzetten van de zorgplicht, waarbij  risico nemende partijen moeten aantonen dat zij verantwoordelijk te werk gaan.

De veehouder en eventuele medewerkers op het bedrijf wordt geadviseerd zich jaarlijks te laten vaccineren tegen griep (voor zowel varkens- als pluimveehouderijen, om te voorkomen dat de ondernemer een menselijk influenzavirus overbrengt naar zijn dieren of als mengvat dient). Deze griepvaccinatie is verkrijgbaar bij de huisarts. Voor meer informatie wordt verwezen naar de LCI-richtlijn ‘Influenza van dierlijke oorsprong’.

Het gemengd houden van varkens en pluimvee op een veehouderijbedrijf is vanuit volksgezondheid niet gewenst. Met het scheiden van deze diersoorten wordt voorkomen dat influenzavirussen vanuit pluimvee kunnen vermengen met influenzavirussen vanuit varkens. Dit voorkomt vervolgens het risico op het ontstaan van een nieuw type influenzavirus dat de potentie heeft om te gaan circuleren onder mensen (Kornalijnslijper et al., 2008).

Emissiereductie

De GGD adviseert: neem maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren, ook onder de wettelijke norm. Een vermindering van de emissie van geur, fijn stof, endotoxinen en ammoniak leidt tot een betere luchtkwaliteit. Blootstelling aan deze componenten kan leiden tot gezondheidsproblemen zoals luchtwegklachten, verminderde longfunctie, (ernstige) hinder en daarmee samenhangende klachten.

De GGD adviseert gemeenten om samen met ondernemers na te gaan of alle moeite is gedaan emissies zo laag mogelijk te krijgen, vooral wanneer er een gevoelige bestemming in de nabijheid van een veehouderij ligt, en dus los van wat bijvoorbeeld vanuit bestaande emissierechten mogelijk is. Neem hierbij ook mogelijkheden van emissiereductie bij bestaande stallen mee. Het doel hiervan is te streven naar verdergaande maatregelen dan alleen het toepassen van Best Beschikbare Technieken (BBT) en bij voorkeur doelvoorschriften op te nemen. Bronmaatregelen verdienen de voorkeur boven end-of-pipe technieken zoals luchtwassers. Maatregelen die kunnen worden toegepast in de veehouderij zijn samengevat door Winkel en Wouters (2016). Zie Tekstkader  'Emissiereductie in Food Valley' voor een voorbeeld van regionale maatregelen om emissies te reduceren in de Food Valley.
 

Tekstkader

Emissiereductie  in Food Valley

De regio Food Valley is een samenwerking van acht gemeenten (Barneveld, Ede, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Veenendaal, Wageningen). Daar wordt momenteel veel gedaan aan emissiereductie. Met ondernemers die vergunningen aanvragen, wordt gesproken over het implementeren van fijnstofreducerende maatregelen. Daarbij wordt het gehele bedrijf beschouwd, dus zowel bestaande als nieuwe stallen van een bedrijf. In aanvulling daarop is het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij opgezet door betrokkenen, welke moet zorgen voor het beschikbaar komen van haalbare en betaalbare emissiereducerende technieken, bij voorkeur stalsystemen.
In het manifest van deze partijen uit 2016 ‘Gezonde Leefomgeving Veehouderij’, is de relatie met volksgezondheid benoemd. Doel is een lagere achtergrondconcentraties met lokaal geringe bijdrage van de veehouderij en minder negatieve effecten op de leefomgeving voor omwonenden, werknemers en dieren. Daarnaast is er meer oog voor de balans tussen dierenwelzijn en een gezonde leefomgeving.

Naast maatregelen die opgelegd kunnen worden aan het bedrijf, kan er in de vergunningverlening ook expliciet een evaluatiemoment of -traject worden opgenomen. Er kan bijvoorbeeld in de vergunning worden opgenomen dat een bedrijf na een bepaalde periode geëvalueerd wordt. Op grond daarvan kan besloten worden of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kan door middel van het laten uitvoeren van metingen en het evalueren van de klachtenregistratie die is opgezet door de veehouder. De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst kan een rol spelen in het duiden van de klachten en de relatie met gezondheid toelichten.