Voor fijn stof en endotoxinen zijn gezondheidskundige advieswaarden beschikbaar (waarden waarboven effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten, maar die niet wettelijk zijn vastgelegd). Voor geur zijn er geen gezondheidskundige grenswaarden voor de geurbelasting of de geurhinder. Welk percentage gehinderden door geur aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor micro-organismen, waaronder zoönosen, zijn geen dosis-effectrelaties beschikbaar en daarmee geen kwantitatieve advieswaarden. De adviezen voor deze agentia worden kwalitatief beschreven.

De wettelijke normen voor fijn stof staan in Grenswaarden wetgeving veehouderij onderdeel Fijn stof. Voor fijn stof is geen drempelwaarde waaronder geen effecten optreden. De WHO heeft in 2005 gezondheidskundige advieswaarden vastgesteld die lager zijn dan de wettelijke normen (zie Tabel 'WHO-advieswaarden voor PM10 en PM2,5'). De WHO is op het moment van uitbrengen van deze richtlijn bezig met een herziening van de advieswaarden voor fijn stof (Dijkema et al., 2018).

Tabel. WHO-advieswaarden voor PM10 en PM2,5.

  Middelingstijd Niveau
(µg/m3)
Status
PM10      
  Jaargemiddelde 20 WHO richtlijn 2005
  Daggemiddelde
Overschrijding niet meer dan drie dagen per jaar
50 WHO richtlijn 2005
PM2,5      
  Jaargemiddelde 10 WHO richtlijn 2005
  Daggemiddelde
Overschrijding niet meer dan zeven dagen per jaar

 

25 WHO richtlijn 2005

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert om in gebieden met verhoogde concentraties (veegerelateerd) fijn stof (dat wil zeggen: jaargemiddelde PM10-concentratie boven de WHO-advieswaarde) te streven naar een zo laag mogelijke fijnstofconcentratie. In andere gebieden (waar wel aan de WHO-advieswaarde voor PM10wordt voldaan) adviseert de GGD als uitgangspunt geen verdere toename van emissies en concentraties. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de fijn stof (en ammoniak)emissie zo veel mogelijk beperkt te worden. 

Voor de werkomgeving heeft de Gezondheidsraad een grenswaarde voor endotoxinen voorgesteld van
90 EUEuropean Union /m3gedurende een werkdag (8-uurs tijdgewogen gemiddelde). Voor de buitenlucht heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde voorgesteld voor endotoxine van 30 EU/m3(Gezondheidsraad, 2012). De acute effecten worden hierbij als kritisch effect beschouwd. Verondersteld wordt dat de advieswaarden ook beschermen tegen effecten door chronische blootstelling (Winkel et al., 2014).

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst past op dit moment de advieswaarde van 30 EU/m3in haar advisering toe, in afwachting van uitkomsten van onderzoek naar de variatie en spreiding in metingen van endotoxinen. In 2019 is onderzocht of emissiefactoren voor endotoxinen gekoppeld aan diersoorten en staltypen gebruikt kunnen worden in een risicomodellering. Op basis van dit onderzoek komt er geen landelijk toepasbaar toetsingsmodel. Wel heeft het onderzoek van Heederik et al. (2019) een ruimtelijk model opgeleverd waarmee voorspeld kan worden in welke gebieden overschrijding van de advieswaarde te verwachten is. Onderzocht wordt door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hoe regionale overheden deze kennis kunnen gebruiken (Rijksoverheid, 2019). Deze resultaten en aanbevelingen zullen worden gepubliceerd via de website van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid.

Elke geur boven de geurdrempel kan waargenomen worden en als hinderlijk of ernstig hinderlijk ervaren worden. Hoe hoger de geurbelasting wordt, hoe meer kans dat mensen gehinderd zijn en hoe hoger het percentage dat gehinderd of ernstig gehinderd is. Het is echter niet eenvoudig te zeggen hoeveel geurhinder gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Dit is een afweging waarbij ook andere aspecten betrokken kunnen worden.

De GGD-richtlijn Geur en gezondheid, onderdeel veehouderij, geeft een toelichting op de gezondheidsbeoordeling van hinder. Paragraaf 3.3 van de richtlijn beschrijft de verschillende kaders die er zijn voor de beoordeling van geur (Fast et al., 2015):

  • beleidsdoelstellingen;
  • gezondheidseffectscreening;
  • de handleiding geur;
  • de handreiking Wet geurhinder en veehouderij;
  • het beoordelingskader milieu en gezondheid.

Berekenen van de hinder veroorzaakt door geur veehouderij 

Van de gezondheidseffecten van geur is er alleen voor (ernstige) hinder een kwantitatieve dosis-responsrelatie met de geurbelasting beschikbaar. Voor het berekenen van de hinder kan gebruik gemaakt worden van uit landelijke onderzoeken voortkomende algemene dosis- effectrelaties.

Berekenen hinder veroorzaakt door achtergrondbelasting 

Voor intensieve veehouderijen zijn door het bedrijf Odournet (PRAProject Research Amsterdam, 2001) en door Bureau GMVGezondheid, Milieu en Veiligheid/IRASInstitute of Risk Assessment Sciences dosis-responsrelaties opgesteld voor de geurbelasting en hinder (zie GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn Geur en Gezondheid, Fijn stof emissies door veehouderij). Er zitten grote verschillen in deze relaties. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat luchtwassers slechter blijken te werken dan verondersteld . De dosis-effectrelaties van Bureau GMV/IRAS geven het meest recente beeld voor de relatie tussen achtergrondgeurbelasting en hinder in de onderzochte concentratiegebieden in Noord-Brabant en Noord-Limburg (zie GGD- richtlijn Geur en gezondheid, paragraaf 3.2.3). Er zijn relaties opgesteld voor hoe vaak mensen hinder hebben (soms/vaak hinder) en voor de mate van hinder (matige/ernstige hinder) veroorzaakt door de achtergrondgeurbelasting. De GGD adviseert om in alle concentratiegebieden de relatie voor de mate van hinder te gebruiken.

Voor de niet-concentratiegebieden kan voorlopig uitgegaan worden van de relaties van Odournet) om de hinder te berekenen. Deze relaties zijn ook opgenomen in Bijlage 6 van de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (tabel A Achtergrondbelasting). Om enig inzicht te krijgen in de spreiding van het aantal gehinderden kunnen berekeningen met de relaties van PRA Odournet en die van Bureau GMV/IRAS naast elkaar gezet worden. Bedacht moet worden dat veel factoren de relatie tussen de geurbelasting en hinder beïnvloeden en dat er lokaal grote afwijkingen van de algemene relaties kunnen zijn (zie GGD-richtlijn Geur en gezondheid paragraaf 3.3.3 ).

Berekenen hinder veroorzaakt door voorgrondbelasting

Voor de berekening van de hinder veroorzaakt door de voorgrondgeurbelasting in een woonkern en in het buitengebied kan gebruik gemaakt worden van Bijlage 6 (tabel B voorgrondbelasting), waarbij de waarden voor een niet-concentratiegebied worden gehanteerd. De reden hiervoor is dat deze direct op de blootstelling-responsrelatie zijn gebaseerd (waar in wet- en regelgeving ook andere afwegingen zijn meegenomen). De Gezondheidsraad stelt in haar advies dat zowel eerdere geurnormen als de huidige adviesnormen in de Wgv niet gebaseerd zijn op een blootstelling-responsrelatie. Volgens de commissie is het hoog tijd de wetgeving en handhaving op dit gebied wetenschappelijk steviger te funderen. Dat vraagt om nader onderzoek (Gezondheidsraad, 2012).

Beoordeling geurhinder van veehouderijen

Bij woonfuncties achten de GGD’en meer dan 12% geurhinder onacceptabel (dit komt overeen met maximaal 2 OU/m3in de woonkern). Bij gemengde functies (wonen en werken) zijn hogere geurhinderpercentages denkbaar. Hoger dan 20% geurhinder vindt de GGD onacceptabel (dit komt overeen met maximaal 10 OU/min het buitengebied). Zie ook het standpunt van GGD GHORGeneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio Nederland over acceptabele geurhinder (2016).

% geurgehinderden (berekend) Geurbelasting (OU/m3)
Voorgrond Achtergrond*
12% (woonfuncties) 2 5
20% (buitengebied) 5 10

 *De dosis-responsrelatie voor de achtergrondbelasting wordt opnieuw berekend door de GGD met aangepaste emissiefactoren voor luchtwassers. Resultaten zullen eind 2020 gepubliceerd worden via de Academische werkplaats milieu en gezondheid.

Met behulp van gegevens over de geurbelasting (van de gemeente of de omgevingsdienst), kan de GGD het verwachte percentage hinder beoordelen. Eventueel kan de GGD vragen om aanvullende berekeningen of zelf berekeningen uitvoeren met Stacks. Wettelijk moet V-Stacks gebruikt worden bij vergunningverlening. In overbelaste situaties zijn aanvullende berekeningen met het uitgebreide Stacks-programma een mogelijkheid, zodat bijvoorbeeld ook de gebouweninvloed meegenomen wordt. Dit leidt tot een specifieker lokaal inzicht in de verspreiding van de geur en geeft handvatten voor lokale maatregelen om geurhinder in te perken.

Best mogelijke techniek (BBT)

Lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de GGD verdergaande maatregelen adviseert met betrekking tot de best mogelijke techniek (BBT) om de uitstoot van geuremissies te reduceren. Soms gaat dit verder dan de wettelijke BBT-maatregelen. Het is niet aan de GGD om aan te geven wélke maatregelen moeten worden toegepast om de geurbelasting te verlagen. De GGD kan doelvoorschriften aangeven, maar geen middelvoorschriften. Hiervoor wordt verwezen naar de rapportage over stalsystemen van de WURWageningen University & Research (Winkel en Wouters, 2016). Zie de website van InfoMil voor meer informatie over verdergaande technieken dan BBT.

De Wabo geeft de verplichting om BBT toe te passen. De juridische mogelijkheden om bij niet-vergunningplichtige (Type B) bedrijven aanvullende maatregelen te adviseren voor het verminderen van de geurbelasting zijn beperkt. Voor vergunningplichtige bedrijven zijn er meer mogelijkheden. Zie InfoMil, geur dierenverblijven. Bij IPPC- bedrijven is in bepaalde situaties het voorschrijven van een geurbeheersplan een mogelijkheid. Uit een geurbeheersplan kunnen maatregelen volgen die de veehouder moet toepassen. Zie InfoMil, BBT.

Er zijn geen normen voor de uitstoot van micro-organismen. Beoordelingen van de risico’s op zoönosen kunnen gemaakt worden in samenwerking met een inhoudelijk deskundige, bijvoorbeeld van de afdeling Infectieziektebestrijding van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. Een gezondheidskundige beoordeling van de risico’s op zoönosen die een individuele veehouderij kan veroorzaken, kan alleen gemaakt worden op basis van bedrijfskenmerken (omvang, afstand tot andere veehouderijen, etc.) en maatregelen die genomen worden ter preventie van de vorming, verspreiding en uitstoot van biologische agentia.

Een gezondheidskundige beoordeling over een gebied kan worden gebaseerd op lokale factoren die een rol spelen bij de verspreiding van dierziekten, zoals dierdichtheid, diertypen die gehouden worden, omgevingsfactoren. Er zijn echter geen vastgestelde criteria beschikbaar, waardoor een kwantitatieve beoordeling niet mogelijk is. In 2021 komt een kwalitatieve handreiking beschikbaar met maatregelen die veehouderijbedrijven kunnen nemen om insleep, verspreiding en uitstoot van zoönosen te beperken. Doel is om een uitbraak van een zoönose te voorkomen en daarmee het risico voor omwonenden te beperken.

  • Dijkema, M., Koeman, Y, Odink, J., Zee, S. van der, Zuurbier, M., Aarts, F., Buggenum, S. van, Elders-Meijerink, M., Fischer, P., Hout, K. van den, Jansen, H., Keuken, R., Leeuwenn A. van en Ovaa, W., GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn medische milieukunde: Luchtkwaliteit en gezondheid. RIVM Rapport 2018-0016.
  • Fast, T., Geelen, L.M.J., Meeuwsen, E.J., Sluis, N.I., Stouwe, N. van der, Zandt, I. en Venselaar-Mooij, M. (2015). Geur en gezondheid. GGD-richtlijn medische milieukunde. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Rapport 2015-0106.
    Gezondheidsraad (2012). Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Gezondheidsraad: Den Haag.
  • Heederik, D., Erbrink, H., Farokhi, A., Hagenaars, T., Hoek, G., Ogink, N., Rooij, M. de, Smit, L., Winkel, A. en Wouters. I. (2019). Risicomodellering veehouderij en gezondheid (RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen): modellering van regionale endotoxineconcentraties en relaties met gezondheidseffecten. Rapport nummer: IRASInstitute of Risk Assessment Sciences UUUniversiteit Utrecht 2019-01 / WBVRWageningen Bioveterinary Research- 1910304. Utrecht, Wageningen, Arnhem, Lelystad, februari 2019. 
  • Rijksoverheid  over toetsingskader endotoxinen (2019).
  • Winkel, A., Wouters, I.M., Aarnink, A.J.A., Heederik, D.J.J. en Ogink N.W.M. (2014). Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: een literatuurstudie voor ontwikkeling van een toetsingskader. Livestock Research Rapport 773.
  • Winkel, A., Wouters, I.M., Hagenaars, T.J., Heederik, D.J.J., Ogink, N.W.M. en Vermeij, I. (2016). Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslast van omwonenden. Wageningen URWageningen University en Research Livestock Research (Livestock Research rapport 949).