Fijn stof is een verzamelnaam voor in de lucht zwevende deeltjes, die sterk kunnen verschillen in grootte, samenstelling en oorsprong. De samenstelling van fijn stof verschilt tussen plaatsen en in de tijd. In stedelijke of industriële omgevingen maken bijvoorbeeld verbrandingsaerosolen een relatief groot deel uit van fijn stof. Op het platteland, zijn relatief veel organische bestanddelen aanwezig in het stof.

Deeltjesgrootte

Een indruk van de grootte van verschillende deeltjesvormige luchtverontreiniging staat in de Figuur 'Grootteverdeling van verschillende vormen van deeltjesvormige luchtverontreiniging in verhouding tot een menselijke haar en zandkorrels'. Hoe kleiner de stofdeeltjes, hoe dieper ze in de longen kunnen doordringen en hoe schadelijker ze zijn. In de stallen zelf komen relatief veel deeltjes groter dan 10 µm voor. Deeltjes groter dan 10 µm zakken al na enkele tientallen meters naar de grond, waardoor de kans dat ze zich verder verspreiden in de omgeving klein is (Gezondheidsraad, 2012). Bij inademing komen ze niet verder dan de neus en de bovenste luchtwegen. Deeltjes kleiner dan 10 µm (PM10) blijven langer in de lucht zweven, verspreiden zich daardoor verder, en kunnen bovendien doordringen in de luchtwegen. De concentratie PM10 beschrijft het gewicht van alle deeltjes kleiner dan 10 µm in een volume (m3) lucht, PM2,5-deeltjes (deeltjes kleiner dan 2,5 µm) maken daar dus deel van uit. Deze zijn dus veel kleiner en relatief veel minder zwaar. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 in Nederland is ongeveer 20 µg/m3 en voor PM2,5 is dit ongeveer 11 µg/m3 (Bron: GCNGrootschalige Concentratiekaarten Nederland, 2018).

Grootteverdeling van fijn stof

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur: Grootteverdeling van verschillende vormen van deeltjesvormige luchtverontreiniging in verhouding tot een menselijke haar en zandkorrels.

Primair en secundair fijn stof

Er wordt onderscheid gemaakt naar primair en secundair fijn stof. Primair fijn stof wordt direct door menselijk handelen of natuurlijke processen in de lucht gebracht. Primair fijn stof uit de veehouderij bestaat onder andere uit opwaaiend en opdwarrelend stof, fecale deeltjes, huid- en verendeeltjes, biologische agentia en voedselbestanddelen, en zit vooral in de fractie PM2,5-PM10 (Van der Ree et al., 2010; Kennisbericht Fijnstof, 2017). Gassen in de lucht kunnen ook met elkaar reageren en zo deeltjes vormen. Dit wordt secundair fijn stof genoemd en dit kan worden onderverdeeld in secundair anorganisch stof en secundair organisch stof. Bestanddelen die in Nederland voor een groot deel bijdragen aan de vorming van secundair anorganisch fijn stof zijn stikstofoxiden, zwavelige verbindingen en ammoniak. De atmosferische processen zijn samengevat in het Figuur  'Voorbeelden van de vorming van secundair anorganisch fijn stof uit de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn luchtkwaliteit' (Dijkema et al., 2018). In die richtlijn staat daarover meer informatie.

Vorming van secundair fijn stof:ammoniumnitraat: Het gas stikstofdioxide (NO2, veel aanwezig door uitstoot van verkeer) reageert met in de lucht aanwezig water tot salpeterzuur. Salpeterzuur en ammoniak (NH3, veel aanwezig door uitstoot van veehouderij) reageren vervolgens met elkaar tot ammoniumnitraat. Ammoniumnitraat vormt in de lucht al gauw deeltjes. Vorming van secundair fijn stof: ammoniumsulfaat. Zwaveldioxide (grootschalige aanvoer vanuit het buitenland) reageert in de lucht met water waardoor wate

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur. Voorbeelden van de vorming van secundair anorganisch fijn stof. (Bron: Dijkema et al., 2018

Bijdrage van de landbouw aan de fijnstofconcentratie in Nederland

De bijdrage van alle Nederlandse bronnen aan de totale jaargemiddelde PM10-concentratie is circa 22%, en aan de jaargemiddelde PM2,5-concentratie circa 29% (de rest komt van buitenlandse bronnen en zeezout/overig stof, zoals opwaaiend bodemstof). Dit aandeel is weer verder toe te wijzen aan verschillende sectoren. De Nederlandse landbouw (inclusief veehouderij) draagt vooral bij aan de secundaire fijnstofconcentratie. De bijdrage van de landbouw aan de primaire fijnstofconcentratie geëmitteerd door alle Nederlandse bronnen bedraagt landelijk gemiddeld 24% voor PM10 en 8% voor PM2,5. Het aandeel aan de secundaire fijnstofconcentratie is veel groter en bedraagt voor beide ongeveer 35%. De bijdrage van de landbouw aan de totale fijnstofconcentratie geëmitteerd door alle Nederlandse bronnen komt daarmee landelijk gemiddeld tussen de 25% en 30% (zie Figuur  Bijdrage aan de PM10- en PM2,5-concentratie).

Het secundair anorganisch fijn stof dat ontstaat door reacties van gassen in de lucht heeft tijd nodig om zich te kunnen vormen en heeft daardoor een veel grootschaliger karakter dan het primaire fijn stof. Het concentratieverschil dichtbij en op grote afstand van de bron zullen daardoor relatief klein zijn. Voor primair fijn stof is dat concentratieverschil veel groter. In gebieden met veel veehouderij kan als gevolg van een hogere bijdrage van primair fijn stof de eerder genoemde landelijk gemiddelde 25-30% toenemen tot meer dan 50% (Kennisbericht 'Fijnstof en endotoxinen' en Figuur 'Voorbeeld van de bijdrage aan de PM10- en PM2,5-concentratie').

 Figuur. Bijdrage aan de PM10- en PM2,5-concentratie (primair, secundair en totaal) van verschillende sectoren aan het totaal van alle Nederlandse bronnen op basis van het Nederlands jaargemiddelde. De veehouderij draagt voor 90% bij aan de categorie landbouw. HDO staat voor Handel, diensten en overheid, ENINA is Energie, industrie en afval (GCN, 2019).

 Figuur. Voorbeeld van de bijdrage aan de PM10- en PM2,5-concentratie (primair, secundair en totaal) van verschillende sectoren aan het totaal van alle Nederlandse bronnen in een van de gridcellen met veel landbouwactiviteit (veehouderijen). HDO staat voor Handel, diensten en overheid, ENINA is Energie, industrie en afval (GCN, 2019).

Bijdrage per type veehouderij verschillend

De grootste bijdrage aan de emissie van primair fijn stof levert de pluimveehouderij, daarna volgen varkenshouderij, melkrundveebedrijf, kalverhouderij en vleesveebedrijf. Per diersoort zijn emissiefactoren opgesteld (zie Tekstkader).

Emissiefactoren veehouderij

Emissiefactoren veehouderij

Voor elke diercategorie en elk stalsysteem is een emissiefactor voor fijn stof vastgesteld (Rijksoverheid, 2018). Hiermee kan de emissie van een bedrijf worden uitgerekend. De fijnstofconcentratie in de omgeving is afhankelijk van het aantal dieren, maar ook andere bedrijfsaspecten zoals de manier waarop op een bedrijf wordt gewerkt (Heederik en IJzermans, 2011).

  • Dijkema, M., Koeman, Y, Odink, J., Zee, S. van der, Zuurbier, M., Aarts, F., Buggenum, S. van, Elders-Meijerink, M., Fischer, P., Hout, K. van den, Jansen, H., Keuken, R., Leeuwen A. van en Ovaa, W. GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn medische milieukunde: Luchtkwaliteit en gezondheid. RIVM Rapport 2018-0016.
  • Heederik, D.J.J. en IJzermans, C.J. (2011). Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. IRASInstitute of Risk Assessment Sciences universiteit, NIVELNederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg.
  • GCN, 2019
  • Gezondheidsraad (2012). Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Gezondheidsraad: Den Haag.
  • Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid (2017). Kennisbericht fijnstof en endotoxinen.
  • Ree van der J., Morgenstern P.P., Dusseldorp A (2010). Fijn stof van antropogene bronnen. RIVM Rapport 609300016/2010