Naast de advisering over gezondheidsrisico’s van de veehouderij gebaseerd op afstanden en reductie van emissies, leveren ook andere aandachtspunten handvatten voor een gezondheidsadvies.

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert gemeenten om in hun omgevingsbeleid gezondheidsbescherming en -bevordering concreet te omschrijven, en ambities en een visie te formuleren. Aandachtspunten specifiek voor veehouderij en gezondheid zijn een gebiedsgerichte benadering, rekening houdend met het aantal blootgestelde omwonenden, percentage gehinderden (waaronder geur, zie Tekstkader 'De GGD adviseert: geurregelgeving') en behoud van goede kwaliteit van de leefomgeving. Ook in de Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving staan adviezen over de woonomgeving met een uitwerking van het advies om overlast gevende bedrijven op afstand te plaatsen. Ze geven handvatten om in gesprek te gaan met of binnen gemeenten over een gezonde leefomgeving.

Zo kan beleid worden opgesteld dat rekening houdt met specifieke lokale omstandigheden en maatschappelijke belangen van inwoners van een gemeente. In een omgevingsvisie (waartoe gemeenten in het kader van de omgevingswet verplicht zijn) dient vastgelegd te zijn hoe er aan gezondheidsbescherming en -bevordering wordt gedaan. Ook bij individuele vergunningaanvragen wordt gezondheid dan actiever meegewogen door de gemeente, waarbij de focus ligt op een proactieve, integrale aanpak van gezondheid, milieu en ruimtelijke ordening.

De GGD adviseert: geurregelgeving

Aanpassing geurregelgeving

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst heeft eerder in het kader van de Landelijke evaluatie Wet geurhinder veehouderij een aantal adviezen geformuleerd die als uitgangspunt dienen voor de verdere uitwerking. De GGD heeft zich de vraag gesteld hoe een prikkel voor ‘zo-laag-als-redelijkerwijs-haalbaar’ in het systeem van de geurhinderwet ingebracht kan worden, versus ‘normopvulling’ van het huidige systeem.

 

De GGD adviseert:

  • voor geurhinder landelijke normen én streefwaarden op effectniveau vast te stellen;
  • de blootstelling-responsrelatie voor de voorgrondbelasting te actualiseren. Ruime normering ten aanzien van de voorgrondbelasting zonder koppeling naar cumulatie heeft geleid tot overbelaste situaties;
  • het onderscheid tussen concentratiegebied en niet- concentratiegebied te laten vervallen, zodat één blootstelling- responsrelatie wordt toegepast in heel Nederland. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) wordt een onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet- concentratiegebieden (InfoMil, 2019). Dit onderscheid is niet gezondheidskundig onderbouwd;
  • in wet- en regelgeving vast te stellen wat BBT is voor geur, hiervoor een handleiding te verstrekken en het verplicht gebruik van BBT voor geur bij vergunningverlening vast te leggen.

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst zet zich in voor een gezonde en leefbare woonomgeving vanuit het ‘One Health-principe’. One Health staat voor de gezamenlijke inspanning van humane en veterinaire gezondheid (zie Tekstkader 'Zoönosen en voorzorg') om een optimale gezondheid te bereiken voor mens, dier en milieu. De dierenartsen, huisartsen en GGD-artsen kennen elkaar, maken gebruik van elkaars expertise, weten elkaar (laagdrempelig) te bereiken bij vragen en signalen, in wederzijds vertrouwen. Door deze samenwerking worden zoönosen op tijd gesignaleerd, en worden er minder mensen ziek. De GGD’en hebben hiervoor kennisnetwerken zoönosen opgericht in Utrecht, Gelderland en Brabant.

Zoönosen en voorzorg: Diergezondheid in relatie tot humane gezondheid

Een goede diergezondheid is erg belangrijk voor de gezondheid van de mens, want als een ziekteverwekker niet op het bedrijf voorkomt, kan ook niemand ermee besmet raken. Dieren kunnen echter micro- organismen bij zich dragen waar zij zelf geen ziekteverschijnselen van krijgen, maar die bij mensen wel klachten kunnen veroorzaken.

Hygiënemaatregelen dragen bij aan een goede diergezondheid en kunnen waarschijnlijk ook bijdragen aan het beperken van transmissie van zoönotische ziekteverwekkers binnen de veestapel en naar mensen. Daarnaast zijn er verschillende monitoringsprogramma’s en -overleggen welke toezien op snelle detectie en implementatie van maatregelen bij (nieuwe) uitbraken van zoönosen om ziekte bij mensen te voorkomen. Voor meer informatie over zoönosen(verwekkers) en hoe deze te beheersen wordt verwezen naar het kennisbericht ‘Zoönosen’ van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid.

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert de gemeente om omwonenden te betrekken bij de ontwikkeling van toekomstig beleid op gebied van de veehouderij. Belangrijke gezondheidswaarden als gevoel van veiligheid en leefbaarheid zijn afhankelijk van geurhinder, vertrouwen in de voorgestelde maatregelen en landschappelijke inpassing.

Ga voor vertrouwen en een goede relatie

Werken aan vertrouwen en een goede relatie met omwonenden kan door het erkennen van bezorgdheid en het serieus nemen van vragen, door zowel de ondernemer alsook door de gemeente en de GGD. Dit kan door de totstandkoming van besluiten goed uit te leggen en de voorwaarden waaronder een veehouderij of een gebied kan ontwikkelen, duidelijk te maken. Ook maatregelen nemen, het zichtbaar controleren van deze maatregelen en het verbinden van consequenties aan het afwijken hiervan, draagt bij aan vertrouwen. Tijdig en duidelijk communiceren door de ondernemer over ontwikkelingen op het bedrijf kan bijvoorbeeld door een speciale webpagina, een buurtapp of een nieuwsbrief. Een goede informatievoorziening is de eerste trede van de participatieladder (Fast en Den Broeder, 2016).

Metingen door omwonenden zelf

Omwonenden kunnen ook zelf metingen aan de luchtkwaliteit doen met goedkope ‘sensoren’. Deze metingen voldoen niet aan de eisen om vergelijkingen te kunnen maken met wettelijke grenswaarden voor fijn stof. Ze kunnen wel bijdragen aan inzicht in relatieve veranderingen in de lokale luchtkwaliteit. De website samenmeten.nl geeft hierover meer uitleg. De GGD ondersteunt de gemeente in burgerparticipatie. Zij heeft ervaring en expertise op het gebied van risicocommunicatie en de maatschappelijke dialoog. Ga naar Beoordeling gezondheidsrisico van veehouderij door GGD voor de instrumenten die hiervoor ingezet kunnen worden.

Adviezen van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst richten zich op de gezondheid van omwonenden. Omdat veel kennis en onderzoek beschikbaar is over blootstelling van werknemers, richt de advisering zich ook op emissiebeperkende en hygiënemaatregelen in stallen. Dat moet niet leiden tot andere neveneffecten of gezondheidseffecten (bijvoorbeeld geluidsoverlast door ventilatoren, of hoge blootstellingen aan stof of endotoxinen voor bewoners (en kinderen) op het bedrijf zelf). Soms leiden maatregelen voor dierenwelzijn (bijvoorbeeld de invoering van het volièresysteem in plaats van legbatterijen) tot een lokaal hogere uitstoot aan fijn stof en daarmee tot een hogere lokale blootstelling aan fijn stof en biologische micro-organismen voor werknemers en direct omwonenden.

Het inpassen van een gebouw of activiteit in het landschap heeft een directe relatie met gezondheid (Staatsen et al., 2017). De aanwezigheid van groen is positief geassocieerd met de ervaren gezondheid van bewoners en vermindert bijvoorbeeld de ervaren geluidshinder, ook als het feitelijke geluidsniveau niet wordt verlaagd. Het verdient daarom de voorkeur om nieuwe stallen of gebouwen zo veel als mogelijk in het landschap in te passen. Vaak wordt de aanplant van inheemse beplanting ingezet om dit te realiseren. Criteria voor een landschappelijke inpassing van veehouderijbedrijven kunnen door de gemeente worden vastgelegd in een Landschappelijk OntwikkelingsPlan (LOP). Ervaring leert dat actieve inzet op het thema landschappelijke inpassing van veehouderijen leidt tot samenwerking en positieve contacten tussen omwonenden van veehouderijen, de ondernemer en de gemeente.

Vrachtverkeer met levende dieren of mest blijft bij voorkeur buiten de bebouwde kom, vanwege veiligheid en het voorkomen van verspreiding van stof en bacteriën. Zwaar (landbouw)verkeer kan het beste gescheiden zijn van langzaam verkeer zoals fietsers en wandelaars. Het is in het belang van de kinderen op een kinderopvang of een school om zwaar landbouwverkeer niet langs deze objecten te laten rijden.

Geluidemissie gerelateerd aan veehouderij bestaat vooral uit transportbewegingen en geluid van het bedrijfsterrein zelf (bijvoorbeeld door luchtwassers die laag frequent geluid produceren). Aan- en afvoerbewegingen nemen bij toenemende bedrijfsgrootte toe en het betreft vooral zwaar verkeer. Transport, laad- en losactiviteiten zouden zo veel mogelijk in de dagperiode plaats moeten vinden om overlast voor de omgeving tot een minimum te beperken. Veel activiteiten op een veehouderij vinden echter in de nachtperiode plaats, het vangen van pluimvee en het op transport zetten van varkens verloopt over het algemeen rustiger in de nacht of in de vroege ochtend. Daarom is het aan te raden om de laad-/losplaats voor dieren en mest op een gunstige plaats te lokaliseren, afgeschermd van de openbare weg en op een locatie waar geluid naar de omgeving kan worden beperkt. Hierbij kan men denken aan het inpandig maken van een laad- en losplaats of deze plaats aan de achterzijde van een bedrijf te plaatsen.