Veehouderijen verspreiden diverse agentia naar hun omgeving. Op deze pagina is voor de afzonderlijke agentia beschreven wat bekend is over de effecten op de gezondheid.

Ammoniak speelt bij de huidige concentraties in de lucht geen rol van betekenis voor het optreden van directe gezondheidseffecten bij omwonenden. Wel vormt ammoniak samen met andere luchtverontreinigende stoffen het gezondheidskundig relevante fijn stof (Dijkema et al., 2018).

Langdurige blootstelling aan fijn stof kan leiden tot luchtwegklachten, verminderde longfunctie, vervroegde sterfte door met name luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten (Dijkema et al., 2018; Gezondheidsraad, 2012 en 2018; Heederik en IJzermans, 2011).

Kortdurende effecten van fijn stof zijn hoesten en benauwdheid, verergering van luchtwegklachten en tijdelijke longfunctiedalingen. Uitgebreidere informatie is te vinden in de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid (Dijkema et al., 2018). Fijn stof afkomstig van veehouderijen heeft een andere samenstelling dan fijn stof in stedelijke gebieden (Gezondheidsraad, 2012). In de veehouderij zijn de primaire stofdeeltjes over het algemeen groter (PM2,5-10), waardoor ze minder diep in de longen door dringen. Ook deze grovere fractie is schadelijk (Gezondheidsraad, 2018). Ze dragen daarnaast microbiële agentia (bacteriën, parasieten, schimmels, virussen) en endotoxinen met zich mee (agentia die in stedelijke omgeving niet in die mate worden gevonden) waardoor de gezondheidseffecten waarschijnlijk anders zijn dan in een stedelijke omgeving (Gezondheidsraad, 2012 en 2018; Adar et al., 2014). Zo zijn er aanwijzingen dat fijn stof afkomstig van pluimveebedrijven mensen gevoeliger maakt voor luchtweginfecties door een verandering in de bacteriesamenstelling in de mond-keelholte (Smit et al., 2017).

Langdurige blootstelling aan fijn stof kan leiden tot luchtwegklachten, verminderde longfunctie, vervroegde sterfte door met name luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten (Dijkema et al., 2018; Gezondheidsraad, 2012 en 2018; Heederik en IJzermans, 2011).
Kortdurende effecten van fijn stof zijn hoesten en benauwdheid, verergering van luchtwegklachten en tijdelijke longfunctiedalingen. Uitgebreidere informatie is te vinden in de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid (Dijkema et al., 2018). Fijn stof afkomstig van veehouderijen heeft een andere samenstelling dan fijn stof in stedelijke gebieden (Gezondheidsraad, 2012). In de veehouderij zijn de primaire stofdeeltjes over het algemeen groter (PM2,5-10), waardoor ze minder diep in de longen door dringen. Ook deze grovere fractie is schadelijk (Gezondheidsraad, 2018). Ze dragen daarnaast microbiële agentia (bacteriën, parasieten, schimmels, virussen) en endotoxinen met zich mee (agentia die in stedelijke omgeving niet in die mate worden gevonden) waardoor de gezondheidseffecten waarschijnlijk anders zijn dan in een stedelijke omgeving (Gezondheidsraad, 2012 en 2018; Adar et al., 2014). Zo zijn er aanwijzingen dat fijn stof afkomstig van pluimveebedrijven mensen gevoeliger maakt voor luchtweginfecties door een verandering in de bacteriesamenstelling in de mond-keelholte (Smit et al., 2017).

Endotoxinen

Endotoxinen kunnen bij piekbelasting acute luchtwegklachten (zoals hoesten en kortademigheid) veroorzaken. Uit epidemiologisch onderzoek komen aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan endotoxinen kan leiden tot chronische bronchitis en vermindering van de longfunctie. Het is zeer waarschijnlijk dat zowel de acute als de chronische effecten geïnduceerd worden door ontstekingsreacties in de longen (Gezondheidsraad, 2010, De Rooij et al., 2019). Blootstelling aan endotoxinen kan een beschermend effect hebben voor het ontstaan van allergieën (Liebers et al., 2006 en 2008; Radon et al., 2006, De Rooij et al., 2019) en astma (De Rooij et al., 2019). Zie ook het Kennisbericht endotoxinen van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid.

(v-)MRSA

MRSAMethicilline-resistente Staphylococcus aureus kan infecties veroorzaken, zoals een wondinfectie of een steenpuist. In zeldzame gevallen kan bloedvergiftiging, botinfectie of longontsteking ontstaan (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu website). Het (v-)MRSA dragerschap leidt niet altijd tot een infectie (LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding, 2011b). Voornamelijk dragers met een verminderde weerstand lopen kans op een infectie door de  MRSA-bacterie, bijvoorbeeld huid- of invasieve infecties. Risicogroepen zijn patiënten in een ziekenhuis of woonzorgcentrum met verminderde weerstand, patiënten met open wonden of infuus. Patiënten met een MRSA-infectie zijn moeilijk te behandelen, omdat de bacterie resistent is voor behandeling met meticilline en veel andere antibiotica (LCI, 2011b). Een MRSA-infectie bemoeilijkt of vertraagt ook het genezingsproces.

ESBL

De bacteriën die ESBLExtended spectrum beta-lactamases’s kunnen produceren zijn vaak gewone darmbacteriën (bijvoorbeeld Escherichia coli). Ongeveer 5% van de Nederlanders draagt deze bacteriën in de darm bij zich. Ze zijn onschadelijk zolang ze zich in de darmen van gezonde personen bevinden. Ze kunnen soms infecties veroorzaken, zoals een lastig behandelbare blaasontsteking. Infecties met deze bacteriën vormen vooral voor kwetsbare patiënten in het ziekenhuis een probleem, omdat verschillende antibiotica dan niet werken.

Coxiella burnetii

Een infectie met C. burnetii (een Q-koortsinfectie) leidt in circa 60% van de gevallen niet tot symptomen (LCI, 2011a). Circa 20% van de infecties gaat gepaard met milde griepverschijnselen zoals hoofdpijn en koorts. Bij de overige 20% van de infecties kunnen er ernstigere gezondheidseffecten optreden, zoals longontsteking of hepatitis. Ook kan een infectie zich ontwikkelen tot een chronische Q-koortsinfectie. Dit ontstaat bij circa 1-3% van de infecties en kan jaren na de initiële infectie optreden, zelfs wanneer de aanvankelijke infectie zonder symptomen is verlopen. Zwangere vrouwen hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van chronische Q-koorts (LCI, 2011a).
Daarnaast kunnen patiënten last krijgen van post-Q-koortsvermoeidheid. Het percentage Nederlandse patiënten waarbij dit voorkomt is ongeveer 25%. Er is sprake van post-Q-koortsvermoeidheid wanneer er langer dan een half jaar na een acute infectie nog klachten bestaan. Voorbeelden hiervan zijn vermoeidheid, hoofdpijn, spier- en gewrichtspijn, zweten, dyspnoe en concentratie- en slaapproblemen (LCI, richtlijn Q-koortsvermoeidheidssyndroom).

Campylobacter

Campylobacter kan gastro-enteritis veroorzaken (ontsteking van het slijmvlies van maag, dunne darm en/of dikke darm). De symptomen zijn: verminderde eetlust, misselijkheid, braken, diarree en buikklachten.

Hepatitis E

Het Hepatitis E-virus kan leverontsteking veroorzaken (LCI, 2015). De kans dat gezonde mensen (inclusief zwangeren) ziek worden van HEVhepatitis E-virus type 3 (zie Biologische agentia, onderdeel Hepatitis E) is zeer gering en als ze wel ziek worden, zijn hun klachten in bijna alle gevallen mild en van voorbijgaande aard. Echter, bij mensen met een bestaande chronische leverziekte kan een HEV-infectie levensbedreigend zijn. De grootste ziektelast wordt gevonden bij patiënten waarvan het afweersysteem niet goed werkt of die afweer onderdrukkende medicijnen gebruiken (zoals mensen na een orgaan- of beenmergtransplantatie (Bron: LCI richtlijn HEV 2015; Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid, 2019).
Van 2014-2017 werd in Nederland een onverklaarbare stijging van het aantal hepatitis E-gevallen gezien. In dezelfde tijd werd ook in andere Europese landen een stijging van HEV-gevallen gemeld. Ook de ziektelast van HEV is hierdoor toegenomen (510 DALYs in 2018 ten opzichte van 210 DALYs in 2013; Pijnacker et al., 2019). Sinds 2018 lijkt het aantal HEV-patiënten weer te dalen, mogelijk hebben maatregelen in de vleesverwerkende industrie met betrekking tot het verwerken van diafragma en lever in rauwe vleesproducten hieraan bijgedragen.

Aviaire influenza

Bij hoogblootgestelde werknemers (werknemers in contact met pluimvee) zijn gezondheidsklachten (respiratoir, conjunctivitis) geconstateerd (Koopmans et al., 2004). Vooral subtypen H5N1 en H7N9 kunnen (bij hoge blootstelling en/of een lage weerstand) een ernstig ziektebeeld veroorzaken, maar deze zijn in Nederland nog niet voorgekomen. Het hoogpathogene H5N8 is wel gevonden op Nederlandse pluimveebedrijven, maar dit subtype veroorzaakt waarschijnlijk geen ziekte bij mensen (Bouwstra et al., 2015; Verhagen et al., 2015).

Allergenen

Allergenen zijn stoffen die allergische reacties kunnen veroorzaken. Voorbeelden hiervan zijn graspollen, huisstofmijt en huidschilfers van dieren. Of iemand gevoelig is voor het ontwikkelen van een allergie, hangt van veel factoren af. Bijvoorbeeld de genetische aanleg (atopie) en de mate waarin iemand wordt blootgesteld aan een bepaald allergeen. Allergenen van een veehouderij kunnen zich naar de omgeving verspreiden. Bij een allergie reageert het immuunsysteem van het lichaam bovenmatig op een allergeen. Dit geeft verschijnselen aan de slijmvliezen (zwelling, loopneus, niezen), luchtwegen (vernauwing, piepende ademhaling), of huid (eczeem). Opvallend is dat rondom veehouderijen bepaalde allergieën juist minder vaak voor lijken te komen, mogelijk dat continue veegerelateerde blootstellingen juist beschermend werken. Zie Effecten op de gezondheid.

Geur kan leiden tot verschillende gezondheidseffecten, waaronder (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, en stressgerelateerde gezondheidseffecten zoals hoofdpijn, misselijkheid en benauwdheid (Fast et al., 2015; Kennisbericht geur). Daarnaast rapporteren mensen die geurhinder ondervinden, ook vaker een minder goede gezondheid en lichamelijke klachten, zoals ademhalings- en maag-darmklachten (Hooiveld et al., 2015). In deze studie van Hooiveld et al. waren dit zelfgerapporteerde klachten. Men ging nauwelijks naar de huisarts met deze klachten.

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-richtlijn Geur en gezondheid (Fast et al., 2015) gaat dieper op in op de samenhang tussen geurhinder en andere gezondheidsklachten, en de factoren die daarbij een rol spelen.

  • Bouwstra, R., Heutink, R., Bossers, A., Harders, F., Koch, G. en Elbers, A.    (2015). Full-Genome Sequence of Influenza A(H5N8) Virus in Poultry Linked to Sequences of Strains from Asia, the Netherlands, 2014. Emerg Infect Dis. 2015 May;21(5):872-4. doi: 10.3201/eid2105.141839.
  • Dijkema, M., Koeman, Y, Odink, J., Zee, S. van der, Zuurbier, M., Aarts, F., Buggenum, S. van, Elders-Meijerink, M., Fischer, P., Hout, K. van den, Jansen, H., Keuken, R., Leeuwenn A. van en Ovaa, W., GGD-richtlijn medische milieukunde: Luchtkwaliteit en gezondheid. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Rapport 2018-0016.
  • Fast, T., Geelen, L.M.J., Meeuwsen, E.J., Sluis, N.I., Stouwe, N. van der, Zandt, I. en Venselaar-Mooij, M. (2015). Geur en gezondheid. GGD-richtlijn medische milieukunde. RIVM Rapport 2015-0106.
  • Gezondheidsraad (2010). Endotoxinen. Health-based recommended occupational exposure limit. Gezondheidsraad: Den Haag.
  • Gezondheidsraad (2012). Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Gezondheidsraad: Den Haag.
  • Gezondheidsraad (2018 a). Gezondheidsrisico’s door veehouderijen: vervolgadvies. Gezondheidsraad, publicatienummer 2018/04.
  • Heederik, D.J.J. en IJzermans, C.J. (2011). Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. IRASInstitute of Risk Assessment Sciences universiteit, NIVELNederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, 7 juni 2011.
  • Hooiveld, M., Dijk, C.E. van, Sman-de Beer, F. van der, Smit, L.A.M., Vogelaar, M., Wouters, I.M., Heederik, D.J. en IJzermans, C.J. (2015). Odour annoyance in the neighbourhood of livestock farming – perceived health and health care seeking behavior. Annals of Agricultural and Environmental Medicine 2015, Vol 22, No1, 55-61. 
  • Koopmans, M., Wilbrink, B., Conyn, M., Natrop, G., Nat, H. van der en Vennema, H., et al. (2004). Transmission of H7N7 avian influenza A virus to human beings during a large outbreak in commercial poultry farms in the Netherlands. Lancet 363(9409): 587-593.
  • LCI (2011a). LCI-richtlijn Q-koorts.
  • LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding (2011b). LCI-richtlijn Staphylococcus aureus-infecties inclusief MRSA.
  • LCI (2015). LCI-richtlijn Psittacose
  • Liebers V., Raulf-Heimsoth, M. en Bruning, T. (2008). Health effects due to endotoxin inhalation (review). Archives of toxicology 82, 203- 210.
  • Liebers, V., Bruning, T. en Raulf-Heimsoth, M. (2006). Occupational endotoxin-exposure and possible health effects on humans. American journal of industrial medicine 49, 474-491.
  • Pijnacker, et al. (2019). Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2018. RIVM Letter report 2019-0086.
  • Radon, K., Schulze, A., Ehrenstein, V., Strien, R.T. van, Praml, G., Nowak, D. (2007). Environmental exposure to confined animal feeding operations and respiratory health of neighboring residents. Epidemiology. 2007 May;18(3):300-8.
  • Rooij, M.M.T. de, Smit, L.A.M., Erbrink, H.J., Hagenaars, T.J., Hoek, G., Ogink, N.W.M., Winkel, A., Heederik, D.J.J. en Wouters, I.M. (2019). Endotoxin and particulate matter emitted by livestock farms and respiratory health effects in neighboring residents. Environ Int. 2019 Nov;132:105009. doi: 10.1016/j.envint.2019.105009. Epub 2019 Aug 3. Environ Int. 2019. PMID: 31387023.
  • Smit, L.A.M., Boender, G.J., Steenhuijsen Piters, W.A.A. de, Hagenaars, T.J., Huijskens, E.G.W. en Rossen, J.W.A. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role? Pneumonia 2017; 9: 3.
  • Verhagen, J.H., Jeugd, H.P. van der, Nolet, B.A., Slaterus, R., Kharitonov, S.P., Vries, P.P. de, Vuong, O., Majoor, F., Kuiken, T. en Fouchier, R.A. (2015). Wild bird surveillance around outbreaks of highly pathogenic avian influenza A(H5N8) virus in the Netherlands, 2014, within the context of global flyways. Euro Surveill. 2015 Mar 26;20(12). pii: 21069.