Omdat het vergroten van de afstand leidt tot lagere blootstelling, adviseert de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst om uit voorzorg afstand in te bouwen tussen veehouderijen en gevoelige bestemmingen of groepen. Lokale afwegingen kunnen daarbij een rol spelen, vandaar een afstandsadvies met maatwerk. De verschillende situaties waarin dit van belang is, worden in dit onderdeel uitgewerkt.

Afstanden

De VGOLivestock farming and the health of local residents-onderzoeken leggen verbanden tussen gezondheidseffecten en de dichtheid van veehouderijen rond woningen en afstanden tot veehouderijen. Idealiter verplaatsen (intensieve) veehouderijbedrijven zich in een afwaartse beweging, weg van dorpskernen en gevoelige bestemmingen. Afstand houden is daarom een van de maatregelen die de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert om vanuit voorzorg de gezondheidsrisico’s die ontstaan door veehouderij in te perken (zie Tekstkader: De GGD adviseert: afstanden).

De GGD adviseert: afstanden

In oktober 2011 heeft GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Nederland het standpunt ingenomen dat bij planontwikkeling (nieuwe huizen of andere gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) bij voorkeur een afstand van minimaal
250 meter aangehouden wordt tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen).

Dit advies is niet wetenschappelijk onderbouwd op basis van dosis- respons relaties, maar gebaseerd op hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en markers voor de v-MRSAMethicilline-resistente Staphylococcus aureus bacterie binnen deze afstand (De Wolf, 2015; Hagenaars et al., 2017). De concentraties nemen af naarmate de afstand tot veehouderijen groter wordt. Door een specifieke afstand te noemen, stimuleert de GGD dat in situaties met een mogelijk risico voor de publieke gezondheid, gezondheid wordt meegewogen in de besluitvorming.

Uit de WURWageningen University & Research-rapportage ‘Afstand tussen veehouderij en woningen’ blijkt dat er in 2016 in Nederland 335.000 woningen binnen een straal van 250 meter van veehouderijen lagen (Van Os et al., 2016).

(A) Uitbreiding of nieuwvestiging van een veehouderij binnen 250 meter van een gevoelige bestemming, of een nieuwe gevoelige bestemming binnen 250 meter van een veehouderij

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert om het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het bouwen of uitbreiden van veehouderijen binnen 250 meter van gevoelige bestemmingen, of het plaatsen van een gevoelige bestemming binnen 250 meter van een veehouderij.

Let op:
Voor geitenhouderijen geldt een afstand van 2 kilometer, zie paragraaf Uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderij.
Voor het opvangen van gevoelige groepen in deze omgeving, zie paragraaf opvang van gevoelige groepen.

Ook op grotere afstand dan 250 meter kunnen gezondheidseffecten optreden door emissies van veehouderijen. Wanneer het mogelijk is om meer afstand te houden tot gevoelige bestemmingen, heeft dat de voorkeur. In de zone van 250 meter van gevoelige bestemmingen adviseert de GGD alleen nieuwe veehouderijen te bouwen als:
a.    de PM10-concentratie, inclusief de bijdrage van het bedrijf, lager is dan de WHO-advieswaarde, én;
b.    de maatregelen om emissies van PM10 en andere stoffen te reduceren ten minste op niveau BBT zijn. Bij voorkeur neemt de veehouder ook bovenwettelijke maatregelen, én:
c.    de geurbelasting voldoet aan de maximale geurbelasting zoals is beschreven op pagina Gezondheidkundige advieswaarden, geur:
       1.    woonkern: voorgrond 2 OU/m³, achtergrond 5 OU/m³;
       2.    buitengebied: voorgrond 5 OU/m³, achtergrond 10 OU/m³;
d.    mogelijk aanvullende toetsing: het aantal gevoelige bestemmingen niet toeneemt binnen de afstand waarbij de endotoxinewaarde boven de advieswaarde van 30 EUEuropean Union /m3 ligt.

Ad a) PM10-concentratie
Een inschatting van de PM10-concentratie kan beschikbaar zijn uit de geleverde milieu-informatie. Zo niet, dan kan deze worden achterhaald via de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCNGrootschalige Concentratiekaarten Nederland). Daarbij gaat het om de gemiddelde concentratie in een vlak van 1 x 1 kmkilometer conform de resolutie van de GCN. In Nederland was de jaargemiddelde PM10- concentratie in 2019 lager dan de WHO-advieswaarde, maar in veedichte gebieden ligt de concentratie beduidend hoger. Het GGD-advies kan dan een stimulans zijn om PM10-concentraties verder te verlagen door de emissies te verminderen.

Ad c) Geurbelasting
De GGD adviseert dat bij gevoelige bestemmingen de geurbelasting moet voldoen aan de maximale geurbelasting, zoals beschreven op Beoordeling gezondheidsrisico door GGD, onderdeel Geur.

Voor de gezondheidskundige beoordeling van een individuele vergunningaanvraag kan de GGD bij de omgevingsdienst naast de voorgrondbelasting ook de achtergrondbelasting geur opvragen voor omliggende gevoelige bestemmingen. Door dit te doen voor zowel de huidige als de aangevraagde situatie wordt inzichtelijk hoe de geurbelasting voor iedere gevoelige bestemming verandert.

(B) Uitbreiding of nieuwvestiging van een geitenhouderij binnen 2 kilometer van een gevoelige bestemming, of een nieuwe gevoelige bestemming binnen 2 kilometer van een geitenhouderij

Bij geitenhouderijen is er tot een afstand van 2 kilometer een verhoogde kans op longontsteking gevonden. De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert daarom, uit voorzorg:

  • geen uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen toe te staan in een straal van 2 kilometer van gevoelige bestemmingen (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen), en geen nieuwe gevoelige bestemming binnen 2 kilometer van een geitenhouderij te plaatsen (zie Tekstkader 9 Omgekeerde werking en moratoria voor geitenhouderijen);
  • goede informatie te geven over de gezondheidsrisico’s en over de motivering van een besluit, zowel richting ondernemers als omwonenden.

Vanwege het verband tussen geitenbedrijven en longontsteking, is in een aantal provincies een stop ingesteld op het vestigen of uitbreiden van geitenhouderijen (zie Tekstkader: Stop op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen).

Voor pluimvee werd in de jaren 2009-2014 ook een verhoogd risico op longontsteking gevonden bij omwonenden in een straal van 1 kilometer rondom pluimveebedrijven. Omdat dit verhoogde risico in de jaren na 2014 niet meer is aangetoond wordt deze afstand tot een pluimveebedrijf niet meer apart in de adviezen van de GGD betrokken. Van belang blijft dat rondom pluimveebedrijven de fijnstofconcentraties verhoogd zijn. Het recente advies van de Gezondheidsraad ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ (2018) benadrukt dat ook en adviseert daarom reductie van fijn stof ter verbetering van de luchtkwaliteit.

(C) De opvang van gevoelige groepen binnen 250 meter van een veehouderij, of binnen 2 kilometer vanaf een geitenhouderij

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert om terughoudend te zijn met het opvangen van gevoelige groepen binnen 250 meter van een veehouderij. Daarvoor gelden in ieder geval ook de voorwaarden zoals genoemd in Uitbreiding of nieuwvestiging van een veehouderij. Voor geitenhouderijen geldt een afstand van 2 kilometer, zie Uitbreiding of nieuwvestiging van een geitenhouderij.

Terughoudend betekent volgens de GGD niet doen, tenzij:

  • er geen alternatieve locatie is en sprake is van een groot maatschappelijk belang van de opvang van gevoelige groepen (afweging door lokaal bevoegd gezag; de GGD weegt het maatschappelijk belang niet af), én;
  • op de locatie van de nieuwe opvang van gevoelige groepen geen overmatige geurbelasting is.

Voor het plaatsen van nieuwe gevoelige groepen zoals kinderopvang en zorgvoorzieningen voor ouderen of mensen met een beperking op of binnen 250 meter van een veehouderij kunnen de positieve gezondheidseffecten voor de doelgroep soms opwegen tegen de gezondheidsrisico’s door blootstelling aan verhoogde concentraties van de agentia uit de veehouderij. Voor de advisering over een kinderopvang op een veehouderijbedrijf, zie Tekstkader De GGD adviseert: kinderopvang op of nabij veehouderij.

(D) Een nieuwe gevoelige bestemming met meer dan vijftien veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer

De dichtheid van bedrijven is gerelateerd aan een toename van gezondheidsklachten bij omwonenden (zie pagina  Ruimtelijke verdeling van veehouderijbedrijven in Nederland). De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst adviseert daarom het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het plaatsen van nieuwe gevoelige bestemmingen in veedichte gebieden met meer dan vijftien bedrijven binnen een straal van 1 kilometer (bedrijven met dieraantallen volgens VGOLivestock farming and the health of local residents-criteria, VGO dieraantallen: geiten ≥50; kippen ≥250; varkens ≥25; runderen ≥5). Naast de advisering bij vergunningen kan de relatie gezondheid en veehouderij ook opgenomen worden in ruimtelijke-ordeningsbeleid zoals een omgevingsvisie of plattelandsvisie. De Gezondheidsraad benadrukt dat gemeenten zelf lokaal beleid moeten opstellen vanwege de sterke verschillen in lokale omstandigheden en maatschappelijke belangen.

De GGD adviseert een gebiedsgerichte aanpak met aandacht voor:

  • specifieke deelgebieden waar meer dan vijftien bedrijven in een straal van 1 kilometer rondom een nieuwe gevoelige bestemming liggen;
  • andere aspecten die belangrijk zijn voor gezondheid zoals beleving van omwonenden en landschappelijke inpassing van veehouderijbedrijven;
  • het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’; motiveer hoe ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving (zie de handreiking van InfoMil).

De Wet publieke gezondheid lijkt voor besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en milieu geen specifieke plichten op te leggen. Uit jurisprudentie blijkt dat uit deze wet in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen aanvullende onderzoeksverplichting volgt (handreiking InfoMil).

Wel verplicht de WpgWet Publieke Gezondheid gemeenten om een afweging van risico’s te maken bij besluiten waar volksgezondheid een rol speelt. De GGD kan de informatie voor deze afweging aanreiken. Meer informatie over de mogelijkheden om te adviseren over een gezonde leefomgeving staat in de kernwaarden en de factsheet van de commissie voor de mer om de invloed van de leefomgeving op gezondheid weer te geven.

Testkstkader

Tekstkader: Omgekeerde werking en moratoria voor geitenhouderijen

Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik, moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners is één van de leidende principes die geborgd moeten zijn. Milieuregels die van belang zijn voor het woon- en leefklimaat zijn ‘ruimtelijk relevant’ en kunnen daarom doorwerken in de ruimtelijke ordening. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Net zoals bij geurhinder wil je vanwege de risico’s voor volksgezondheid woningen of andere gevoelige bestemmingen niet te dicht bij geitenhouderijen bouwen of oprichten.
De moratoria die nu in provincies gelden betekenen voor geitenhouderijen, op hoofdlijn, een verbod op nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven. Per provincie verschilt de precieze regeling in het moratorium. De verbodsregels voor de geitenhouderij hebben geen rechtstreekse invloed op het mogelijk maken van gevoelige bestemmingen. Indirect is dit wel mogelijk, via de doorwerking van milieuregelgeving in de ruimtelijke plannen, de omgekeerde werking. (Notitie ‘Omgekeerde werking geitenmoratorium’ gemeente Bergeijk, handreiking InfoMil).

tekstkader

Tekstkader: Stop op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen

In Noord-Brabant, Gelderland, Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel, Limburg, Flevoland en Noord-Holland is er momenteel een stop op nieuwvestiging en uitbreidingen van geitenhouderijen. In een Kamerbrief uit april 2020 wordt dit beleid onderschreven, naar aanleiding van resultaten uit onderzoek in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel (Smit et al., 2019). In andere provincies in Nederland zijn er geen maatregelen getroffen om uitbreidingen of nieuwvestiging van geitenhouderijen te beperken.

De GGD adviseert: kinderopvang op of nabij veehouderij

De GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst is in de Wet kinderopvang aangewezen als toezichthouder en als ter zake deskundig. Voor nieuwe opvang van kinderen op veehouderijen, is het belangrijk dat de GGD integraal adviseert vanuit de afdeling Medische milieukunde en de afdeling Infectieziektebestrijding en samenwerkt met de toezichthouders kinderopvang.

De GGD adviseert terughoudend te zijn met kinderopvang op of nabij veehouderijbedrijven. Uit jurisprudentie blijkt dat het GGD-advies specifiek moet zijn en aandacht moet besteden aan:
-    het verhoogde risico op longontsteking wanneer kinderopvanglocaties zich binnen een straal van 2 kmkilometer bij geitenhouderijen bevinden. Het risico wordt hoger als er meer geitenhouderijen zijn, of naarmate de afstand kleiner wordt. Hoeveel het risico toeneemt is niet te kwantificeren en niet specifiek bekend voor kinderen. Wel is bekend dat longontsteking bij heel jonge kinderen ernstige gevolgen kan hebben;
-    de gezondheidseffecten zoals aangetoond in uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en adviezen van de Gezondheidsraad;
-    de diersoort(en) op een bedrijf en de bijbehorende risico’s (type zoönosen bijvoorbeeld);
-    de afstand tussen adres kinderopvang en (de stallen van) het bedrijf.

En aanvullend in het geval van kinderopvang op het bedrijf zelf:
-    (on)mogelijkheden om met (hygiëne)maatregelen de uitstoot te beperken, waarbij het type stalsysteem belangrijk is;
-    veiligheidsrisico’s (vallen in de gier/mestopslag), gebruik machines en voertuigen in directe omgeving opvang).

Aan de opvang van kinderen op boerderijen kunnen ook positieve kanten zitten, zoals meer bewegen en meer buiten zijn. Het kennisbericht Zorg, recreatie en educatie (Kennisplatform, 2020) beschrijft de positieve aspecten, de risico’s en preventieve maatregelen uitgebreid. Ook zijn er voor nieuwe kinderopvang op agrarische bedrijven brochures beschikbaar voor zowel houders van de kinderopvang als ouders/verzorgers, met onder andere adviezen hoe de risico’s zo klein mogelijk kunnen worden gehouden (Van Dam et al., 2013).

De GGD vindt dat gastouders en houders van een kinderopvang op een veehouderij de ouders/verzorgers actief moeten inlichten over de mogelijke gezondheidsrisico’s, zodat ouders/verzorgers zelf een afweging kunnen maken.

  • Dam, van A.S.G, Tolsma, P., Kanters, I. en Selen, R., 2013. ‘Agrarische kinderopvang? Gezond en veilig!’. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Infectieziektenbulletin.
  • Gezondheidsraad (2018 a). Gezondheidsrisico’s door veehouderijen: vervolgadvies. Gezondheidsraad, publicatienummer 2018/04.
  • Hagenaars, T., Hoeksma, P., Roda Husman, A.M. de, Swart, A. en Wouters, I. (2017). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen (No. 2017-0062). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
  • Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid (2020). Zorg, recreatie en educatie op de boerderij.
  • Os, J. van, Smidt, R.A. en Jeurissen, L.J.J. (2016). Afstand tussen veehouderij en woningen; Een onderzoek naar aantallen veehouderijen en woningen op minder dan 250 meter van elkaar. Wageningen, Alterra Wageningen URWageningen University en Research (University & Research centre), Alterra-rapport 2658. 
  • Smit, L.A.M, Huss, A., Jacobs, J., Baliatsas, C., Dückers, M., Boender, G.J., McCarthy, C., Hagenaars, T., IJzermans, J. en Heederik, D. (2019). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III (2019).  Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht. Institute for Risk Assessment Sciences (IRASInstitute of Risk Assessment Sciences), Universiteit Utrecht Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel), Utrecht Wageningen Bioveterinary Research (WBVRWageningen Bioveterinary Research), Lelystad. IRAS, Utrecht, november 2019.
  • Wolf, J. de (2015). Gezondheid gebaat bij 250 meter afstand tussen intensieve veehouderij en burgerwoning. Tijdschrift Milieu – Dossier – Mei 2015.