Een recent artikel over synthetisch amorf silica (SAS) als voedseladditief (E551) geeft een overzicht van de bestaande informatie over een aantal aspecten, waaronder de deeltjesgrootte en -vorm, geschatte inname via voeding, of de deeltjes beschikbaar komen in het lichaam en de mogelijke schadelijkheid. De conclusie wordt getrokken dat de geschatte inname geen risico vormt voor de gezondheid van de mens. Het artikel is geschreven in opdracht van de vereniging van producenten van amorf silica (ASASP).

De auteur benadrukt dat de kleinste bestanddelen van SAS in E551 de samengeklonterde deeltjes (aggregaten) zijn. Deze aggregaten zijn groter dan 100 nm en kunnen volgens de auteur niet uiteenvallen in kleinere primaire deeltjes. Bovendien zijn er volgens de auteur momenteel geen betrouwbare analysemethode beschikbaar om de verdeling van de grootte van alle deeltjes van SAS te kunnen bepalen. De beschikbaarheid van SAS in bloed en organen na inname via de mond is volgens de auteur laag. Het overzicht laat verder een nieuwe schatting zien van de inname van SAS via voeding. Op basis van gegevens van ASASP over relevante voedingsmiddelen en de hoeveelheden E551 hierin, samen met innameschattingen op basis van een Europees model (Comprehensive European Dietary Exposure Model) schat de auteur de gemiddelde inname van SAS als voedseladditief op 0,28 – 4,5 mg/kg kilogram lichaamsgewicht per dag. Vervolgens worden meerdere toxiciteitseindpunten besproken, waaronder toxiciteit voor het DNA deoxyribonucleic acid, (sub)chronische toxiciteit, kankerverwekkendheid en toxiciteit voor de voortplanting en het ongeboren kind. Op basis van de gegevens wordt geconcludeerd dat SAS als voedseladditief een zeer lage toxiciteit heeft en bij de geschatte inname geen risico vormt voor de gezondheid van de mens.

RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu/KIR kennis- en informatiepunt risico’s van nanotechnologie overweging:

Het artikel geeft een helder overzicht van de verschillende aspecten die een rol spelen bij de risicobeoordeling van SAS als voedseladditief. Het RIVM heeft niettemin een andere mening over de conclusies met betrekking tot de risico’s.

Het artikel benadrukt dat de kleinste deeltjes in E551 geen nanodeeltjes zijn, maar aggregaten die groter zijn dan 100 nm. Deze conclusie is gebaseerd op elektronenmicroscopische beelden van enkele vormen van SAS. Op basis hiervan kan echter geen onderscheid worden gemaakt tussen aggregaten waar de deeltjes stevig aan elkaar vast zitten door chemische bindingen en agglomeraten waar de deeltjes losjes bij elkaar zitten en vrij gemakkelijk uiteen kunnen vallen. Zo is bijvoorbeeld eerder experimenteel aangetoond dat een deel van de SAS-deeltjes in voedingsmiddelen kleiner is dan 200 nm (range van 30 – 200 nm) (o.a. door RIVM en RIKILT). Mogelijk zijn grotere agglomeraten in de voedingsmiddelen na inslikken in kleinere deeltjes uit elkaar gevallen. Hoewel deze deeltjes nog verder uit elkaar zouden kunnen vallen laat dit zien dat aanwezigheid van deeltjes in de nanorange (1 – 100 nm) in voeding niet zomaar uitgesloten kan worden.

Bovendien wordt in het artikel niet onderbouwd dat ook andere typen en vormen van SAS (die niet getest zijn) alleen aggregaten vormen die groter zijn dan 100 nm. Door de verschillen in fysisch-chemische eigenschappen tussen de vele SAS-vormen is het voor te stellen dat er ook verschil kan zijn in de verdeling van de deeltjesgroottes, inclusief de mate van samenklontering tot aggregaten en agglomeraten.  De auteur geeft zelf aan dat er technische uitdagingen zijn in de analyse van de deeltjesgrootteverdeling van SAS. Dit is zeker het geval in complexe matrices zoals voedsel.

De conclusie dat de kleinste bestanddelen (aggregaten) van SAS groter dan 100 nm zijn en dat deze niet uit elkaar kunnen vallen kan volgens het RIVM op basis van de huidige informatie niet getrokken worden. De maximale inname, zoals geschat op basis van gegevens van ASASP (4,5 mg/kg lichaamsgewicht per dag) is in dezelfde orde van grootte als de ruwe en conservatieve schatting van het RIVM (9,4 mg/kg lichaamsgewicht per dag). De auteur geeft in het overzicht aan dat de opname van SAS in het maagdarmkanaal na inname via de mond laag is. Het RIVM heeft echter op basis van experimentele data- en modelberekeningen laten zien dat een lage absorptie alsnog tot stapeling van SAS-deeltjes in de lever kan leiden. Ondanks de lage absorptie van SAS na orale inname neemt de hoeveelheid deeltjes in de lever toe bij herhaaldelijke blootstelling, wat meegenomen zou moeten worden in verdere risicobeoordeling.

In de risicoschatting van het RIVM is leverfibrose gebruikt als meest kritieke eindpunt. In het hier besproken overzichtsartikel zet de auteur vraagtekens bij de diagnose van leverfibrose op basis van de foto’s van het weefsel en het gebrek aan ontstekingsreacties. Echter, in dezelfde studie is naast leverfibrose ook een verhoogde expressie van fibrose-gerelateerde genen waargenomen, in dezelfde studiegroep als waar leverfibrose werd gezien. Hiermee wordt de waargenomen leverfibrose juist bevestigd. Volgens het RIVM kan de gevonden leverfibrose dus niet zo makkelijk worden weggeschreven. Op basis van deze effecten op de lever (fibrose), het gedrag van SAS in het lichaam en de geschatte inname heeft het RIVM eerder geconcludeerd dat gezondheidseffecten als gevolg van SAS in voeding mogelijk zijn.