De voorgestelde gevaarsindeling van titaniumdioxide is voer voor discussies. De economische belangen zijn groot en lijken nadrukkelijk mee te spelen in de uiteindelijke beslissing. De wetgeving schrijft echter voor dat de gevaarsindeling alleen gebaseerd mag zijn op eigenschappen van de stof zelf.

In 2017 gaf het RACEuropese Risicobeoordelingscomité (Risk Assessment Committee)[1] het advies om titaniumdioxide (TiO2) als verdacht carcinogeen (categorie 2) bij inhalatie op te nemen in de lijst van gevaarlijke stoffen onder CLP Classification, Labelling and Packaging[2]. Deze gevaarsindeling zou moeten gelden voor alle vormen van TiO2, zonder verschil te maken tussen de precieze kristalvorm of de deeltjesgrootte. De Commissie dient uiteindelijk te beslissen over opname in de lijst, maar heeft deze beslissing al een paar keer uitgesteld. Daarbij spelen twee belangrijke discussies.

De eerste discussie gaat over de vraag of een gevaarsindeling voor de stof TiO2 wel terecht is. Het gevonden schadelijke effect zou niet alleen voor TiO2 gelden, maar algemeen voor deeltjes. Dit zou betekenen dat alle deeltjes die net als TiO2 slecht afbreekbaar in het lichaam zijn als zodanig geclassificeerd zouden moeten worden. Een tweede discussie wijst erop dat de indeling alleen voor de poedervorm van TiO2 zou moeten gelden. Voor andere vormen zou de kans op inademen geen rol spelen. Volgens deze tweede discussie zou de gevaarsindeling dan bijvoorbeeld niet gelden voor verf. Hiervoor moet dan een uitzondering in de CLP-Verordening worden opgenomen.

Een grote groep ngo’s[3] schrijft in een open brief dat zij het oneens zijn met een dergelijke uitzondering, omdat hiervoor alleen socio-economische motieven een rol lijken te spelen. Deze motieven zouden geen rol mogen spelen bij een besluit over gevaarseigenschappen van een stof.

TiO2 wordt vaak gebruikt als witte kleurstof in veel verschillende producten (o.a. verven, huishoudelijke producten, cosmetica, voedselsadditief). Er spelen dus grote economische belangen en verschillende groepen lobbyen tegen de gevaarsindeling.

Onder andere de Duitse bouwlobby, en verschillende Europese fabrikanten van TiO2, verenigd in de Titanium Dioxide Manufacturers Association (TDMA), laten zich horen. De TDMA geeft aan dat de gevaarsindeling van TiO2 leidt tot 10-15% afname van de vraag naar TiO2. Gevolgen hiervan zouden zijn het sluiten van productiefaciliteiten, verlies van banen en honderden miljoenen aan economische schade. Ook van buiten Europa worden de economische gevolgen genoemd. In een brief aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wijzen de VS Verenigde Staten op een verstoring van miljarden aan handel tussen de VSVerenigde Staten en de EUEuropese Unie. Om deze reden vragen de VS aan de EUEuropese Unie om de gevaarsindeling van TiO2 uit te stellen.

Maar ook uit andere hoeken blijken er hindernissen voor de gevaarsindeling van TiO2. De gevaarsindeling kan gevolgen hebben voor andere wetgeving, bijvoorbeeld voor afvalverwerking. Volgens de voorgestelde gevaarsindeling is de manier waarop TiO2-bevattend afval behandeld moet worden niet duidelijk. De Europese Commissie doet daarom voorstellen om de technische regels voor indeling van afvalstoffen aan te passen. Zo kan duidelijk gemaakt worden of en hoe TiO2-bevattend afval als gevaarlijk moet worden ingedeeld. De voorgestelde gevaarsindeling heeft geen invloed op de verplichte bescherming van werknemers. Alleen bij een gevaarsindeling categorie 1A of 1B moet een werkgever volgens de Arbowet voorkomen dat werknemers met de stof te maken hebben.

RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu/KIR kennis- en informatiepunt risico’s van nanotechnologie-overweging: De gevaarsindeling van een stof of mengsel in CLP gaat uit van de schadelijke eigenschappen. De kans op contact, risico-overwegingen en economische redenen zou geen rol mogen spelen. Voor TiO2 wordt nu voorgesteld om toch ook de kans op contact mee te wegen. Het voorstel om de gevaarsindeling alleen voor fijn poeder te laten gelden is daarmee niet alleen gebaseerd op eigenschappen van de stof zelf, maar vooral ook op economische redenen.

Verschil tussen bijvoorbeeld poeders en vloeistoffen is in de praktijk lastig aan te geven. Het voorbeeld van verf lijkt daarbij ongelukkig gekozen. In verf kan een hoge concentratie aan TiO2 zitten. Omdat verf een vloeistof is, zou – als alleen de poedervorm wordt geclassificeerd – etikettering niet nodig zijn. Toch zou het gebruik van verf kunnen leiden tot inhalatie van een poedervorm. Bijvoorbeeld bij het schuren van een (opgedroogde) verflaag.

De gevaarsindeling kan gevolgen hebben voor afval met een bepaalde concentratie TiO2 . De Europese Commissie heeft een conceptnotitie gemaakt waarin de precieze gevolgen staan. Een probleem is dat het lastig is om een gevaarsindeling alleen voor poeders toe te passen in afvalverwerking. Afval met TiO2  kan in allerlei vormen (poedervorm, als vaste stof, en als vloeistof) voorkomen. De discussie over deze conceptnotitie loopt nog.

Naast de blootstellingsroute van inademen, ligt TiO2 ook voor andere blootstellingsroutes onder vuur. Frankrijk heeft besloten om de toelating van het voedseladditief E171 (TiO2) tijdelijk op te schorten en meer duidelijkheid te verkrijgen over gevaren en risico’s van TiO2 na opname via voedsel (zie “Frankrijk laat voedseladditief E171 (titaniumdioxide) niet meer toein deze Signaleringsbrief).

In veel van deze discussies spelen de economische belangen bewust of onbewust mee. Zoals is vastgesteld in de CLP Verordening zouden deze niet leidend mogen zijn in de uiteindelijke vaststelling van de CLP-classificatie van een stof. Bovenstaand krachtenveld laat echter zien dat een definitieve beslissing lastig zal zijn. Het RIVM blijft deze discussie volgen.


[1]     Het Europese Risicobeoordelingscomité (RAC, Risk Assessment Committee) beoordeelt voorstellen van Europese lidstaten en fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers voor een geharmoniseerde indeling en etikettering (CLH) van een stof. Het RACEuropese Risicobeoordelingscomité (Risk Assessment Committee) stelt een advies op voor een geharmoniseerde gevaarsindeling. De Europese Commissie neemt uiteindelijk een besluit over het opnemen van de gevaarsindeling van een stof in Bijlage VI van de CLP-Verordening. Deze Bijlage VI geeft de lijst van geharmoniseerde indelingen en etiketteringen van stoffen.

[2]     In de Europese Unie is ‘gevaarsindeling, etikettering en verpakking’ (CLP – Classification, Labelling and Packaging) voor ongeveer 4000 stoffen verplicht. Een lijst van deze stoffen staat in Bijlage VI van de CLP-Verordening. In de CLP-wetgeving zijn ook eisen opgenomen over het bepalen van gevaren en hoe gevaarsinformatie moet worden verspreid. De eisen voor de gevaarsindeling in CLP zijn gebaseerd op het wereldwijd geharmoniseerde systeem van de Verenigde Naties.

[3]     Niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) komen op voor de belangen van groepen die niet vertegenwoordigd worden door industrie of lidstaten, o.a. milieuorganisaties, consumentenorganisaties, en vakbonden.