Dit deel van het Handboek omgevingsveiligheid bevat een overzicht van gevaren en vervolggebeurtenissen die relevant zijn voor omgevingsveiligheid.  Deze inzichten zijn te gebruiken bij het bepalen van het nut, de noodzaak en de effectiviteit van beschermende maatregelen nabij activiteiten met gevaarlijke stoffen.  

Bij een ongeval met een brandbare of giftige stof zijn verschillende typen vervolggebeurtenissen mogelijk. Deze vervolggebeurtenissen treden op wanneer er brandbare of giftige stoffen vrijkomen. Voor deze gebeurtenissen is beschreven welke effecten te verwachten zijn en waarom de effecten van belang zijn voor de omgeving. Ook wordt besproken op welke wijze informatie over de te verwachten gebeurtenissen en effecten bijdraagt aan het ontwerp en keuze voor beschermende maatregelen. 

Deze pagina beschrijft onderstaande gevaren en vervolggebeurtenissen.

Brand: effecten en gevolgen 

Bij het ontsteken van een vrijgekomen brandbare stof ontstaat er brand. Brand vereist brandstof, zuurstof en een voldoende hoge temperatuur om de brandstof te ontsteken. Een brandbare stof blijft na ontbranding branden, ook nadat de bron die de ontsteking heeft veroorzaakt, is weggenomen. Er zijn zowel vloeibare (zoals benzine), gasvormige (zoals propaan) en vaste (zoals buskruit) brandbare stoffen. Alle brandbare stoffen kunnen een explosie veroorzaken, maar of dat werkelijk gebeurt is afhankelijk van de omstandigheden, zie Explosie: effecten en gevolgen.  Bij vrijwel elke brand ontstaat er rook. Elke rookwolk bevat schadelijke stoffen. Het gezondheidsrisico veroorzaakt door deze rook hangt af van de soort schadelijke stoffen die in een rookwolk aanwezig zijn en de hoeveelheid rook die mensen binnen krijgen, zie Gifwolk: effecten en gevolgen

    Plasbrand  
    Als door een lek of breuk in een leiding of opslagtank met brandbare vloeistoffen een plas met brandbare vloeistof ontsteekt noemen we dat een plasbrand. Dergelijke branden ontstaan als de uit de vloeistofplas verdampende brandbare gassen een ontstekingsbron tegenkomen, bijvoorbeeld een vonk.   

    Fakkelbrand 
    Als een leiding, tank of ketel met gas onder druk beschadigd raakt, bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden of na een botsing, ontstaat bij ontsteking een fakkelbrand. Een fakkelbrand is een brand van een vloeistof of gas die met kracht vrijkomt gedurende langere tijd (continu emissie). Bij een fakkelbrand zijn fakkels van enkele tientallen tot honderden meters lang mogelijk. 

    Wolkbrand 
    Een wolkbrand ontstaat wanneer er bij een ongeval een brandbaar gas uitstroomt en verspreidt. Het ontsteken van de gaswolk leidt tot een kortdurende vlammenzee. Als de wolk bij het ontbranden ingesloten zit, ontstaat er een gaswolkexplosie (zie typen explosies).  

    Vaste stof brand 
    Er zijn ook vaste stoffen die brandbaar zijn, bijvoorbeeld houtzaagsel. Vooral in poeder- en korrelvorm of in deegachtige (pasteuze) vorm ontbranden vaste stoffen gemakkelijk. In praktijk echter vormen branden als gevolg van ongevallen met brandbare vloeistoffen en gassen (onder druk) het grootste brandgevaar voor de omgeving, omdat vloeistoffen en gassen zich gemakkelijker verspreiden.  

    Typen brandeffecten en -gevolgen 

    Er zijn drie belangrijke brandeffecten met een directe impact op de mens. Dit zijn warmtestraling, vlamcontact en rook. Bij brand vindt een aanzienlijk deel van het warmtetransport naar de omgeving plaats via warmtestraling. Door de warmtestraling warmt de omgeving en de objecten in de buurt van de brand op en stijgt de temperatuur. De warmtestralingsintensiteit wordt uitgedrukt in kilowatt per vierkante meter (kW/m2). Warmtestraling leidt tot brandwonden wanneer de huid te lang wordt blootgesteld aan een te hoge warmtestraling. Het inademen van door warmtestraling opgewarmde lucht kan verwonding van de luchtwegen veroorzaken. Brandwonden worden ook veroorzaakt door direct vlamcontact. Slachtoffers met brandwonden zullen, naarmate de ernst van de wonden groter is, specialistische zorg nodig hebben. Tot slot vormt ook het vrijkomen van rook bij een brand een gevaar voor de mens. Rook kan leiden tot vergiftiging en verbranding, wanneer de (hete) rook ingeademd wordt.  

    Het effect van de warmtestraling buiten is ook relevant voor vervolggebeurtenissen binnen.  Aangenomen wordt dat vanaf een warmtestraling buiten van 10 kW/m2 of meer, gordijnen of vitrages in het gebouw op den duur ontbranden.  
    Bij een nog hogere warmtestraling (circa 12 tot 15 kW/m2) is het mogelijk dat brandbare delen van de gebouwconstructie gaan branden of bezwijken. Hoe hoger de warmtestraling en hoe langer de blootstelling van een gebouw aan die warmtestraling, hoe waarschijnlijker dat de gebouwconstructie zelf ontbrandt. Bij een warmtestraling van meer dan 35 kW/m2  kunnen  brandbare delen van de gebouwconstructie al na circa 20 seconden ontbranden. 

    Ook buiten het aandachtsgebied kan brand nog gevaarlijk zijn voor mensen. Een warmtestraling van 3 kW/m2 (pijngrens) is dusdanig dat mensen na 10 seconden bij een onbedekte huid pijn zullen ervaren. Hulpdiensten gebruiken bij een dergelijke warmtestraling beschermende kleding. Beneden de 3 kW/m2 is vluchten zonder beschermende kleding veelal nog mogelijk. Een warmtestraling van 1 kW/m2 is te vergelijken met de warmtestraling op een zeer zonnige dag. 
    Voor de begrenzing van het brandaandachtsgebied is door de wetgever 10 kW/m2 als waarde opgenomen. Deze grens van brandaandachtsgebied geeft een voorspelling tot op welke afstand inpandige branden mogelijk zijn door bijvoorbeeld het in brand raken van vitrage of gordijnen. 

    De warmtestraling neemt van links naar recht af. De figuur geeft een beeld van de gevolgen van deze afname voor effecten, laat zien tot welke warmtestraling de aandachtgebieden reiken en illustreert mogelijkheden voor schuilen en vluchten.

    Bescherming tegen brand

    Bescherming bieden tegen een brand doe je door te zorgen dat de vlammen, warmtestraling en rook niet (in gevaarlijke hoeveelheden) bij mensen komt. Dit betekent dat je de volgende principes combineert: 

    • Zorgen dat er zo min mogelijk (zeer) brandbare stof aanwezig is (bijvoorbeeld door bronmaatregelen of inperking van de verspreiding). 
    • Zorgen dat de brand zo kort mogelijk aanwezig is op / nabij de plek waar mensen verblijven (tijdsduur), bijvoorbeeld door bluswatervoorzieningen. 
    • Zorgen dat mensen zich niet bevinden op plekken waar de vlammen, warmtestraling en rook komt (blootstelling), bijvoorbeeld door afstand te houden of gebruik te maken van obstakels in het landschap, zoals aarden wallen. Daarnaast is de verspreiding van de vlammen, warmtestraling en in mindere mate rook, afhankelijk van de inrichting van de omgeving, waaronder de aanwezige gebouwen.  
    • Zorgen dat mensen of gebouwen minder kwetsbaar zijn voor de effecten van brand Bijvoorbeeld door het dragen van beschermende kleding of het slim kiezen van materialen van gebouwen: dakpannen in plaats van een rieten dak.    

    Welke mate van bescherming je kunt bereiken tegen de gevaren van een brand is afhankelijk van de omgeving, van het type brand (plasbrand, fakkelbrand, wolkbrand), de mogelijkheid dat de brand leidt tot een explosie (gaswolkexplosie of vaste stofexplosie) en het vrijkomen van een gifwolk (een giftig verbrandingsproduct). Daarnaast hangt het van de omgeving af in hoeverre het mogelijk is om mensen te laten schuilen of vluchten. In algemene zin geldt dat de bescherming van mensen vooral is gericht op bescherming tegen vlammen, warmtestraling en rook. Brandwerende materialen of een aarden wal of heuvel dragen bij aan de bescherming tegen vlammen en warmtestraling, maar indien (delen van) gebouwen te dicht bij de brand staan raken ze alsnog in brand. 

    Explosie: effecten en gevolgen

    Een explosie is te omschreven als een snelle verbranding met een drukeffect. De snelle verbranding zorgt ervoor dat er een grote hoeveelheid gas ontstaat die door de snelheid een drukgolf (en een vlamfront) veroorzaakt. Alle brandbare stoffen kunnen  in de juiste verhouding met lucht een explosie geven. 

    Bij omgevingsveiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen vaste stofexplosies zoals het ontploffen van munitie, explosies van een insluitsysteem, zoals het exploderen van een LPG Liquefied Petroleum Gas (Liquefied Petroleum Gas) tank en uitwendige explosies, waarbij een stof pas na het ontsnappen uit een tank of leiding explodeert, bijvoorbeeld bij een gaswolkexplosie. 

    Een vaste stofexplosie is het gevolg van een ontsteking van een vaste stof, zoals het exploderen van munitie en vuurwerk.  

    Wanneer de brandbare stof of het brandbare product omhuld is (bijvoorbeeld een brandbaar gas is en vat, tankauto of leiding) wordt de explosie aangeduid als inwendige (tank) explosies of explosies in een insluitsysteem. Er zijn verschillende subtypen van inwendige (tank) explosies / explosies in een insluitsysteem te onderscheiden, namelijk: 

    • Explosie brandbaar mengsel in omhulling: dit is een ontsteking van een brandbaar mengsel in een omhulling. De omhulling zorgt voor de drukopbouw omdat de gassen niet weg  kunnen. Ook een brandbaar mengsel in vaste vorm kan een explosie veroorzaken. Een voorbeeld van een dergelijke explosie is een explosie in een graansilo.  
    • BLEVE boiling liquid expanding vapour explosion (boiling liquid expanding vapour explosion): dit is een explosieve verdamping van een stof bij een druk en temperatuur ver boven het kookpunt. BLEVE staat voor Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion en is een explosie waarbij een houder met vloeibaar gas onder druk bezwijkt. Er ontstaat een overdruk doordat de kokende vloeistof verdampt. De overdruk blaast de houder dan als het ware op. Bij omgevingsveiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen een warme en een koude BLEVE. Het verschil zit in de oorzaak van het bezwijken van het drukvat. De koude BLEVE ontstaat als tijdens een ongeval, bijvoorbeeld door een aanrijding, een tank (onder druk) scheurt dat tot vloeistof verdichte gassen bevat. Er ontstaat dan een drukgolf. Wanneer de tank een brandbaar gas bevat dat ontsteekt dan ontstaat er naast de drukgolf ook een vuurbal. De warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tank. De vloeistof in de tank wordt warmer. Hierdor loopt de druk op terwijl de sterkte van de tankwand afneemt. Hierdoor bezwijkt de tank en ontstaat er een drukgolf. Bij ontvlambare gassen ontstaat er een vuurbal en een drukgolf. Koude BLEVE’s zijn niet bestrijdbaar aangezien ze direct na of tijdens het incident optreden. De warme BLEVE biedt meer bestrijdingsmogelijkheden als de tank is voorzien van een hittewerende coating. Dit biedt hulpdiensten meer minuten om in actie te komen en indien mogelijk te koelen. 
    • Runaway reactie: dit is een zich versnellende chemische reactie in een omhulling die gepaard gaat met een sterke stijging van temperatuur en / of druk. Een explosie ontstaat wanneer deze zich versnellende reactie niet te stoppen is en de druk in het omhulsel te hoog oploopt. Een dergelijke reactie kan ontstaan wanneer veiligheidssystemen bij de productie van chemicaliën niet op orde zijn. 
    • Explosieve decompressie. Wanneer een gas onder hoge druk vrijkomt, vormt het vrijgekomen gas door uitdijing een drukgolf (explosieve decompressie). Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer bij een lek in een leiding onder hele hoge druk het gas met een drukgolf vrijkomt, zoals bij een lek in een aardgasleiding. De omvang van de drukgolf is dan beperkt en om die reden hebben hoge-drukaardgasleidingen geen explosie-aandachtsgebied. 

    Uitwendige explosies vinden plaats buiten de oorspronkelijke onthulling. Er ontstaat een gaswolk die deels ingesloten kan zijn bijvoorbeeld bij objecten. Bij ontsteking vindt dan drukopbouw plaats, wat leidt tot een explosie. Een voorbeeld is een explosie in een riool.

    Typen effecten en gevolgen 

    Belangrijke effecten die een directe impact hebben op de omgeving zijn de kracht van de veroorzaakte drukgolf, de vrijkomende warmtestraling en eventuele scherfwerking en vliegvuil. 

    Bij een explosie zijn de overdrukeffecten weer te geven als een zich uitdijende bolvorm met als middelpunt de bron van de explosie. De overdruk vertrekt met de geluidssnelheid en is in die zin vergelijkbaar met een geluidsgolf. Onder specifieke omstandigheden kan een explosie overgaan in een detonatie. Bij een detonatie plant de overdruk zich sneller voort dan de geluidssnelheid. Een drukgolf plant zich via de lucht of via de bodem voort en komt terecht bij mensen of objecten. De kracht van overdrukeffecten neemt af als de afstand vanaf de explosie toeneemt. Een mens of object in de omgeving van de explosie zal eerst worden geraakt door het front van de drukgolf (de piekoverdruk). Als de drukgolf voorbijtrekt neemt de druk weer af. Er treedt dan een negatieve fase (zuiging) op waarbij de druk achter de golf korte tijd lager is ten opzichte van de omgeving. De mate waarin deze negatieve druk gevolgen heeft hangt af van het type explosie en de omgeving. Direct schade aan mensen als gevolg van een drukgolf (zoals schade aan longen of gehoor) ontstaat vooral bij hoge overdrukken en lange duur van de golf. Verwondingen als gevolg van de drukgolf kunnen levensbedreigend zijn. In de meeste ongevalssituaties hebben andere explosie-effecten, zoals scherfwerking, vliegvuil en instorting van bouwwerken een grotere invloed op de overlijdenskans ( PGS publicatiereeks gevaarlijke stoffen (publicatiereeks gevaarlijke stoffen) 2a:16). Het grootste gevaar wordt dan ook veroorzaakt door de indirecte gevolgen van de drukgolf, bijvoorbeeld als mensen vallen, zich bevinden in of onder instortende (delen van) constructies of geraakt worden door glasscherven (ruitbreuk) of dakbedekking (zoals dakpannen of kiezels). 

    Fragmenten van de bron verspreiden zich samen met brokstukken, scherven en vliegvuil doordat ze door de schok- en drukgolf vooruitgeduwd worden en ook door de zuiging meegenomen worden. Fragmenten van de bron ontstaan direct uit de explosiebron, zoals fragmenten van de tank waarin de brandbare stof zich bevond. Brokstukken of vliegvuil ontstaan door voorwerpen in de omgeving die als gevolg van de druk- of schokgolf worden weggeworpen, zoals grind op daken nabij de explosiebron. Er zijn snijdende fragmenten, bijvoorbeeld de fragmenten die ontstaan door ruitbreuk en stompe fragmenten. De vrijkomende scherven die afkomstig zijn van het object dat explodeerde (zoals de tankwagen of de opslagtank) kunnen mensen en omgeving raken en daarbij letsel veroorzaken.  

    Dichtbij de bron van een explosie, daar waar sprake is van een overdruk van meer dan 30 kPa, is het aannemelijk dat (delen van) gebouwen, bruggen, installaties of andere objecten instorten. Bij instorting ontstaat letsel, zoals botbreuken en stomp trauma als gevolg van de klap van de objecten die op mensen zijn gevallen. Eerdere inschattingen gaan ervan uit dat wanneer een gebouw instort 20 tot 50 % van de aanwezigen dodelijk gewond raakt (PGS 2a, p. 32).

     
    Indien explosies gecombineerd gaan met aanzienlijke warmtestraling (zoals bij een BLEVE boiling liquid expanding vapour explosion (boiling liquid expanding vapour explosion) met een brandbaar gas) dan vormen ook secundaire branden een gevaar voor de veiligheid van mensen. De warmtestraling komt bovendien vlak na de drukgolf aan.  Wanneer aanwezige ramen en (delen) van gebouwen als gevolg van drukgolf zijn bezweken dringt de warmtestraling ongehinderd binnen. De effecten van hittestraling zijn verder uitgewerkt onder het kopje Brand: effecten en gevolgen.

    De afstand tot waar explosies bedreigend   zijn voor de omgeving varieert van meters tot kilometers. Al buiten het explosieaandachtsgebied, vanaf ca. 3 kPa, is door de drukgolf ruitbreuk te verwachten en bij 10 kPa (de begrenzing van het explosieaandachtsgebied) is het aannemelijk dat glasscherven als gevolg van ruitbreuk zo hard worden voortgestuwd dat ze dodelijk zijn voor mensen.  

    Bescherming tegen explosies

    Bescherming bieden tegen een explosie doe je door te zorgen dat de veroorzaakte drukgolf, warmtestraling en fragmenten niet in gevaarlijke hoeveelheden bij mensen komt. Dit betekent dat je de volgende principes combineert: 

    • Zorg dat er zo min mogelijk kracht achter een drukgolf zit (bronmaatregelen). De kracht is afhankelijk van de hoeveelheid en het soort brandbare stof en de mate van insluiting. In een afgesloten ruimte bouwt de druk zich op, waarmee de drukgolf in kracht en omvang toeneemt. 
    • Zorg dat mensen zich niet bevinden op plekken waar de drukgolf, warmtestraling of rondvliegende fragmenten komen (blootstelling). De verspreiding van de warmtestraling, drukgolf en fragmenten is vooral afhankelijk van de inrichting van de omgeving. Daarnaast neemt de kracht van overdrukeffecten af als de afstand tot de explosie toeneemt. In een klein deel van de scenario’s (zoals bij warme BLEVE boiling liquid expanding vapour explosion (boiling liquid expanding vapour explosion)) gaat aan de explosie een brand vooraf en is er een beperkte tijd om mensen te laten vluchten. 
    • Zorg dat mensen of gebouwen minder kwetsbaar zijn voor de effecten van explosies. Bijvoorbeeld door gebouwen voldoende te verstevigen en de omgeving anders in te richten. Aanwezige objecten zoals heuvels en gebouwen dragen bij aan de afscherming van de omgeving van de warmtestraling en drukeffecten. Echter, ze vergroten het gevaar wanneer ze een bron blijken van rondvliegende fragmenten (denk aan glasscherven, dakbedekking of delen van gebouwen). 

    Welke mate van bescherming je kunt bereiken tegen de gevaren van een explosie is afhankelijk van het type explosie en van de omgeving. Het hangt van de omgeving af in hoeverre het mogelijk is om mensen te laten schuilen of vluchten. In algemene zin geldt dat mensen vooral moeten worden beschermd tegen de scherven, vliegvuil en warmtestraling, maar ook de drukgolf zelf kan letsel veroorzaken. Een verstevigd gebouw of een aarden wal of heuvel kan bescherming bieden tegen scherven, vliegvuil en warmtestraling, maar indien (delen van) gebouwen te dicht bij de explosie staan storten ze in en vormen ze juist een extra gevaar. Daarbij zal een drukgolf meer schade veroorzaken als er sprake is van een omgeving met veel potentiële scherven en vliegvuil dan in een lege omgeving. 

    Gifwolk: effecten en gevolgen 

    Een gifwolk ontstaat als gevolg van verdamping van giftige vloeistoffen, het ontsnappen van een giftig gas of giftige rook. 

    Giftige rook ontstaat als gevolg van een branden met gevaarlijke stoffen. De rook verspreidt zich in omgeving. Dit betekent dus ook dat een dergelijke giftige wolk altijd samengaat met een (grote) brand en het gevaar op explosies. De giftige rook wordt veroorzaakt als gevaarlijke stoffen niet volledig verbranden of als stofdeeltjes samen met de warme rookwolk opstijgen en verderop neerdalen.  
    Ook als gevolg van het vrijkomen van een giftig gas of een giftige vloeistof kan een gifwolk ontstaan. Denk hierbij aan het vrijkomen van giftig gas of de giftige vloeistof door een lekkage van een leiding, maar ook bij het openscheuren van een opslagtank of tankwagen als gevolg van een botsing. Kenmerkend voor het vrijkomen van een giftige vloeistof is dat er altijd eerst een plas met een giftige vloeistof ontstaat die vervolgens uitdampt en zich verspreid als een giftige wolk. De plas zal blijven uitdampen totdat alle giftige vloeistof is omgezet in een giftige wolk. Het verschilt per vloeistof met welke snelheid dit uitdampen verloopt. Ook factoren zoals het oppervlak van de vloeistofplas, omgevingstemperatuur en de windsnelheid zijn van invloed op de snelheid waarmee de vloeistof wordt omgezet in een giftige wolk (hoe groter/hoger, des te sneller de giftige wolk ontstaat). 
    Via de lucht verspreidt de gifwolk zich in omgeving. De afstand tot waar gifwolken bedreigend zijn voor de omgeving varieert van meters tot kilometers. Hoe ver een gifwolk komt hangt af van de vrijgekomen hoeveelheid en de manier waarop het zich verspreid in de omgeving. De hoeveelheid gevaarlijke stoffen hangt af van de snelheid waarmee de stoffen vrijkomen, de tijdsduur van de lozing en in het geval van een giftige rookwolk, de warmte die vrijkomt bij de brand. De verspreiding is bijvoorbeeld afhankelijk van de windrichting en -snelheid en van de zwaarte van de giftige stof ten opzichte van de lucht. 

    Typen effecten en gevolgen

    Het gevolg dat een gifwolk heeft voor de omgeving hangt af van de giftigheid (toxiciteit) van de vrijgekomen stof, de concentratie in de lucht en de blootstellingsduur. In Nederland bestaan rampeninterventiewaarden voor gevaarlijke stoffen. Met deze waarden wordt het niveau van gevaar geschat. Er zijn drie interventiewaarden: de voorlichtingswaarde (VRW), de alarmeringsgrenswaarde (AGW) en de levensbedreigende waarde ( LBW levensbedreigende waarde (levensbedreigende waarde)). Voor de begrenzing van het gifwolkaandachtsgebied is de LBW van belang. De LBW is de concentratie van gevaarlijke stoffen in de lucht waarboven mogelijk sterfte of levensbedreigende aandoeningen worden verwacht. 
    Een algemeen aandachtspunt bij het nadenken over bescherming tegen gifwolken is dat de de voorgeschreven QRA quantitative risk assessment (quantitative risk assessment)-berekeningen alleen de eerste 30 minuten van een incident doorrekenen. In werkelijkheid kunnen gifwolken langer dan 30 minuten duren. Bij het nadenken over bescherming dient er dus ook rekening mee te worden gehouden dat de gifwolk langdurig aanwezig kan zijn. 

    Bescherming tegen gifwolken

    Bescherming bieden tegen een gifwolk doe je door te zorgen dat de giftige stof niet in gevaarlijke hoeveelheden bij mensen komt. Dit betekent dat de volgende drie principes worden gecombineerd: 1) zorgen dat er zo min mogelijk giftige stoffen vrij komen (hoeveelheid) 2) Zorgen dat mensen zich niet bevinden op plekken waar de giftige stof komt (blootstelling) of dat de giftige stof de locatie niet binnendringt (kwetsbaarheid). 

    Welke mate van bescherming mogelijk is tegen de gevaren van een gifwolk is afhankelijk van het type giftige stof en van de omgeving. Het hangt van de omgeving af hoe moeilijk het is om mensen te laten schuilen of vluchten. In algemene zin geldt dat mensen binnen gebouwen beter zijn beschermd. Daarbij zal een giftig gas makkelijker binnendringen dan een aerosol of een vaste stof (zoals poeder of rookdeeltje). 

    Zorgen dat er zo min mogelijk giftige stoffen vrij komt(hoeveelheid). 
    Compartimentering bij de bron draagt bij aan het beperken van de hoeveelheid giftige stoffen die vrijkomt bij een ongeval.  Compartimentering bij de bron verkleint de kans dat grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen tegelijkertijd vrijkomen, verbranden of meegenomen worden in een rookwolk. Bij een vrijgekomen giftige vloeistof wordt de mate waarin de giftige vloeistof uitdampt beperkt door het oppervlak van de plas met de giftige vloeistof zo klein mogelijk te maken of door deze (gedeeltelijk) af te dekken of te adsorberen: hoe minder de giftige vloeistof uitdampt, des te kleiner de gifwolk zal zijn. 
    Het beperken van de uitdamping heeft echter ook een nadeel, want als het niet lukt om de giftige vloeistof op te ruimen zal deze blijven uitdampen. In die zin is het beperken van de uitdamping een uitruil: de gifwolk zal kleiner zijn, maar langer aanwezig blijven. Bij het afdekken of adsorberen van de giftige vloeistofplas moet opgelet worden dat er geen ongewenste chemische reacties plaatsvinden. Bij het vrijkomen van een giftige rookwolk is de verbrandingstemperatuur van invloed op de gifwolk: hoe warmer de brand hoe vollediger de verbranding zal zijn en hoe minder gevaarlijke stoffen er over blijven om zich in de omgeving te verspreiden. Opgelet moet worden dat bluswerkzaamheden als gevolg  kunnen  hebben dat de verbrandingstemperatuur afneemt en de directe omgeving van de brand wordt blootgesteld aan een hogere concentratie niet volledige verbrande giftige stoffen. 

    Zorgen dat mensen zich niet bevinden op plekken waar de giftige stof komen (blootstelling) of dat de giftige stof de locatie niet binnendringen (kwetsbaarheid). 
    Door mensen op tijd te waarschuwen en vooraf te regelen dat er voldoende geschikte mogelijkheden zijn om te schuilen en/of het gebied op een veilige wijze te verlaten wordt de blootstellingstijd en kwetsbaarheid beperkt. Aandachtspunt is dat een giftige gaswolk in de regel makkelijker in gebouwen binnendringt dan aerosolen of vaste stoffen (zoals poeder of rookdeeltjes). Dit betekent dat je er niet zonder meer vanuit mag gaan dat het afsluiten van de ventilatie en het dichtdoen van ramen en deuren afdoende bescherming biedt. In algemene zin geldt voor buitenactiviteiten of evenementen in open bouwwerken dat ook buiten de aandachtsgebieden nog gevaar kan worden veroorzaakt door gifwolken. Bij buitenactiviteiten en evenementen kan dus nader onderzoek nodig zijn om te  kunnen  beoordelen of aanwezige personen een voldoende veilige omgeving is geboden. 

    Zorgen dat de gifwolk zo kort mogelijk aanwezig is op de plek waar mensen verblijven (blootstellingsduur).  
    Het zeer snel afvoeren van een giftige vloeistof beperkt de blootstellingsduur aan deze de vloeistof.  Bijvoorbeeld door gebruik te maken van een aangepaste hemelwaterafvoer die de vrijgekomen giftige vloeistof naar een geschikte vloeistofopvang leidt. Bij brandbare giftige stoffen draagt het zeer snel blussen van een brand bij aan het beperken van de blootstellingsduur, maar is er ook de optie om te kiezen voor verbranding. Er zijn omstandigheden waarbij het verbranden van de gevaarlijke stof minder gevaar oplevert voor de omgeving dan het laten uitdampen van de giftige vloeistof. Ook bij een rookwolk kan een zo hoog mogelijke verbrandingstemperatuur er voor zorgen dat de rookwolk minder gevolgen heeft voor de omgeving. Hoe warmer de brand des te hoger en sneller de rookkolom zal opstijgen, waardoor deze zich korter in de buurt van mensen bevindt. Dit betekent dus ook dat als bluswerkzaamheden een brand afkoelen, de rook langzamer opstijgt en minder hoog zal komen. Als gevolg daarvan kan de omgeving van de brand worden blootgesteld aan een hogere concentratie van giftige stoffen in de rook. Dit vereist dat nagedacht wordt of het wel verstandig is om een brandende giftige vloeistof of een brand met giftige rook daadwerkelijk te blussen.