Elke drie maanden een vragenlijst en parallelle verzameling van huisartsengegevens. Na vijf jaar kwartaalonderzoek volgen hier een aantal methodologische inzichten.
Meerwaarde van kort-cyclische monitoring
De kwartaalonderzoeken waren een vorm van monitoring om de ontwikkelingen in gezondheid, welzijn en zorg- en hulpbehoefte te volgen tijdens de coronapandemie. Deze vorm van monitoren ten tijde van langdurige crisis bleek van meerwaarde. Het gaf zowel zicht op recente ontwikkelingen als dat kleine fluctuaties afgewogen konden worden tegen het patroon op de langere termijn. Zo kon bij het inschatten van het belang van veranderingen in uitkomstmaten bijvoorbeeld rekening worden gehouden met seizoenseffecten. Wel was constantheid in de vragenlijst en de onderzoekspopulatie cruciaal om de ontwikkelingen goed te kunnen volgen.
Vergelijking met huisartsengegevens
Elke meting onder het jongerenpanel (12-25 jaar) werd gelijk gepubliceerd met de belangrijkste bevindingen over de klachten waarmee kinderen en jongeren (0-24 jaar) wekelijks bij huisartsen kwamen in datzelfde kwartaal. Met deze parallelle gegevensverzameling uit verschillende bronnen konden de resultaten telkens vergeleken en gecontrasteerd worden. Vaak kwam uit de twee databronnen eenzelfde beeld naar voren over hoe de mentale en/of fysieke gezondheid van de bevolking zich ontwikkelde. Waar dit niet het geval was, rezen interessante vragen die de kracht van elke meetmethode op zich aantoonde. In dit geval werd er contact gezocht met experts om de verschillen te duiden.
Een voorbeeld hiervan was dat veel meer jongeren aangaven dat ze zelfdodingsgedachten hadden dan dat daarmee bij de huisarts kwam. Zou het gemakkelijker zijn om hier in een vragenlijst antwoord over te geven dan om er met de huisarts over te gaan praten? Toen het onderzoeksteam zich dit afvroeg, gaf vervolgens het vragenlijstonderzoek de mogelijkheid om aan jongeren met zelfdodingsgedachten te vragen naar hoe en waarom ze wel of geen hulp zochten.
Analyse van achtergrondkenmerken
Analyses van achtergrondkenmerken hielpen om de data beter te begrijpen. Hierbij kwam de samenhang tussen de verschillende onderwerpen steeds duidelijker naar voren. Zo zagen we verslechtering van voornamelijk mentale gezondheid onder jongeren in de nasleep van de coronapandemie. Door voor verschillende categorieën van demografische kenmerken zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau te kijken hoeveel jongeren een laag mentaal welzijn hadden, konden we gericht advies geven voor beleid over in welke categorieën jongeren (voornamelijk meisjes in een hogere leeftijdscategorie, met een lager onderwijsniveau) mentale gezondheidsproblemen, eenzaamheid en suïcidale gedachten het meest voorkwamen. Ook keken we in verdiepende analyses naar de samenhang tussen demografische kenmerken en mentaal welzijn. Ook hier bleken meisjes een grotere kans te hebben op een slechtere mentale gezondheid, vergeleken met jongens. Voor het ervaren van eenzaamheid zagen we juist dat jongens dat de kans groter was op het volgen van een slechter eenzaamheidstraject in de nasleep van de pandemie. De samenhang van demografie en het hebben van suïcidale gedachten bleek in deze analyses niet aanwezig. Voor al deze uitkomsten geldt dat andere mentale welzijnsfactoren als het ervaren van mentale gezondheidsproblemen, eenzaamheid, suïcidale gedachten, stress of lichamelijke klachten een grotere rol speelden. Hierbij had informatie over migratieachtergrond en sociaaleconomische status (SES) waarschijnlijk inzichten opgeleverd in hoe de nasleep van de pandemie verschillend verdeeld was. Zo zagen we in de eerste twee rondes van het panel dat jongeren met een migratieachtergrond en een hogere (Sanitary Epidemiology and Surveillance) iets vaker aangaven mentale gezondheidsproblemen, eenzaamheid en suïcidale gedachten te hebben. Hierbij was het verschil groter voor migratieachtergrond dan voor SES. Deze migratie en SES-informatie was beschikbaar in de eerste twee rondes, maar bij het panel waar daarna mee werd gewerkt was deze koppeling niet mogelijk.
Programmering van datamanagement en analyses
Dataverzameling, analyse en publicatie gebeurde elke drie maanden, met voor het grootste gedeelte vragen die gelijk bleven. Zodoende konden het datamanagement en de analyse grotendeels gestroomlijnd worden met behulp van scripts. Deze programmering moest wel elke keer gecheckt worden en aangepast, bijvoorbeeld vanwege kleine veranderingen in de vragenlijst of vernieuwde inzichten in hoe de rapportage de resultaten het beste kon weergeven. Voorbeelden hiervan waren bijvoorbeeld dat ‘een dierbare hebben met post-covid' werd toegevoegd aan de vraag over welke corona-gerelateerde gebeurtenissen respondenten hadden meegemaakt; of de keuze om enigszins tot en met sterk eenzaam bij elkaar opgeteld te rapporteren in plaats van per item en daarom ook standaard dit opgetelde percentage te laten uitrekenen. Investeren in het programmeren van opschoning van de ruwe databestanden en analyse is voor eenmalig onderzoek mogelijk minder interessant, maar van grote toegevoegde waarde voor monitoringsonderzoek als dit met het doel om een vinger aan de pols te houden. De mogelijkheid om sneller te publiceren is daarbij van grote toegevoegde waarde. Bovendien hielden onderzoekers zo tijd over voor het onderzoeken van verdiepende vragen.
Extra vragen
Het onderzoek kreeg meer diepgang doordat de driemaandelijkse monitoring de mogelijkheid gaf om steeds andere verdiepende vragen toe te voegen, zowel open als meerkeuzevragen. Deze vragen hielpen om in te spelen op het stadium waarin de coronapandemie zich op dat moment bevond en onderzoeks- of duidingsvragen te stellen die op dat moment actueel waren. Dat kon bijvoorbeeld gaan over hoe erg deelnemers het zouden vinden als bepaalde coronamaatregelen weer zouden worden ingevoerd, of (deels) herstelde deelnemers met post-covid van hun werkgever de kans kregen om weer meer te gaan werken en waarom deelnemers met zelfdodingsgedachten soms geen hulp zochten. Grote lessen uit het kwartaalonderzoek kwamen voort uit de verdieping die met deze extra vragen kon worden toegevoegd aan de onderwerpen die standaard werden gemonitord. Dit toont het belang van het borgen van financiële ruimte voor Extra onderzoeksvragen, juist bij monitoronderzoek.
Deelnemers aan het woord
Een belangrijke open vraag stond aan het eind van de vragenlijst, en werd wel het hele onderzoek uitgevraagd. Dit was de vraag: Heb jij nog opmerkingen die je met ons wil delen? Aan volwassenen is de vraag in de u-vorm gesteld. De antwoorden op deze vraag, de ‘eindopmerkingen’ vormden regelmatig aanleiding om een nieuwe vraag aan de vragenlijst toe te voegen, of onderschreven het belang daarvan. Zo merkten gaandeweg steeds meer deelnemers op dat ze zich weinig zorgen meer maakten om onderwerpen die te maken hadden met corona, maar wel over andere dingen die op dat moment speelden in Nederland, Europa en wereldwijd. Bij het voortduren van de coronacrisis leefde ook in het onderzoeksteam de vraag in hoeverre de resultaten nog gerelateerd konden worden aan de coronaperiode of dat andere gebeurtenissen belangrijker waren. En als er een verband was, dan tussen welke resultaten en recente ontwikkelingen? Zo ontstond de vraag waarin deelnemers van een lijst van onderwerpen konden aangeven waar zich zorgen om maakten, met zowel corona-gerelateerde als deels wisselende en deels gelijkblijvende context-gerelateerde onderwerpen.
De open vragen lieten daarnaast de deelnemers zelf aan het woord – zowel op het moment van invullen als later in de rapportage. Daarmee gaven deze vragen erkenning aan wat voor hen speelde. In meetrondes met open vragen lieten deelnemers vaker een opmerking achter aan het einde van de vragenlijst waarin ze aangaven dat ze het onderzoek waardeerden. Ook kwamen ze dan regelmatig nog met aanvullingen op wat ze eerder hadden geschreven, waaruit ook een grotere betrokkenheid blijkt.
Een ander inzicht komt uit de vragen over lange-termijn impact van de coronapandemie op het dagelijks leven. Antwoorden op een open vraag hierover in een eerdere meting werden omgezet in stellingen, die aan alle deelnemers werden voorgelegd. Zo ontstond een breder beeld, waarbij deelnemers zich in een stelling konden herkennen, terwijl ze dat zelf niet onder woorden konden brengen of bij het invullen van een open vraag vooral aan een andere ervaring aandacht zouden geven.
Samenwerking
De uiteindelijke diepgang en reikwijdte van de resultaten uit het kwartaalonderzoek heeft veel te danken aan samenwerking met anderen, zowel binnen het consortium als daarbuiten. De voorwaarde hiervoor was dat de projectleider actief investeerde in een breder netwerk aan geïnteresseerden en hen op de hoogte hield van recente resultaten. Soms waren recente resultaten lastig te duiden met de kennis van binnen het onderzoeksteam. Regelmatig nam de projectleider van het kwartaalonderzoek dan contact op met belanghebbende organisaties en onderzoekers binnen en buiten het consortium. Door resultaten voor te leggen en te spiegelen aan het onderzoek en de kennis van de expert(s) kwamen nieuwe mogelijke verklaringen naar voren en kon beter worden afgewogen over hoe nieuwswaardig de resultaten waren. Andersom ontstond vanuit deze onderzoekers en organisaties interesse in het kwartaalonderzoek. Daarnaast zorgden de uitwisselingen regelmatig ook voor data-aanvragen, waarbij (na goedkeuring) andere onderzoekers gebruik konden maken van de gegevens die binnen het kwartaalonderzoek waren verzameld.
Gegevens opvragen
Het is het mogelijk om onderzoeksgegevens van de jongeren- en volwassenenpanels op te vragen. Neem hiervoor contact op met het GOR covid 19-onderzoeksteam (gor-covid19@rivm.nl).