Bij radiotherapie wordt straling gebruikt voor het behalen van een therapeutisch effect. De schadelijke effecten van straling worden bij radiotherapie ingezet voor het vernietigen van niet gewenste cellen in een bepaald doelgebied.

Radiotherapie is te verdelen in therapie met uitwendige bronnen (teletherapie) en therapie met ingekapselde bronnen (brachytherapie). Sinds 1999 is er een onderverdeling gemaakt in moeilijkheidsgraad (NVRONederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie, 2000): (1) eenvoudig, (2) standaard, (3) intensief en (4) bijzonder. Deze verdeling geldt voor zowel teletherapie als brachytherapie (T1 t/m T4 en B1 t/m B4). Sinds 2003 is hier een nieuwe categorie bijgekomen, B5; brachytherapie van de prostaat. Verder is binnen de radiotherapie een indeling te maken ten aanzien van de aard van de aandoening van de patiënt, benigne of maligne, en ten aanzien van het doel van de therapie, curatief of palliatief. Radiotherapie wordt in Nederland in 21 over het land verspreide instellingen uitgevoerd.

Voor meer informatie over radiotherapie: http://www.nvro.nl/

Aantallen verrichtingen

In 2008 werden er in de 21 radiotherapeutische instellingen 48.000 teletherapieën (T) uitgevoerd (zie figuur 1). In 2000 was dit aantal ongeveer 37.000. In figuur 2 is te zien dat het aantal brachytherapieën (B) is gestegen van ongeveer 2.400 in 2000 tot 3.460 in 2008. Een behandeling binnen de radiotherapie bestaat meestal uit meerdere zittingen. Afhankelijk van het type behandeling varieert het aantal zittingen per behandeling van één (LDR brachytherapie) of enkele (HDR brachytherapie, palliatieve megavolttherapie) tot enkele tientallen (curatieve megavolttherapie).

Figuur 1 Overzicht van het aantal teletherapieën te zien in de jaren 2000 tot en met 2008, onderverdeeld in de categorieën T1 t/m T4

Figuur 2 Het aantal brachytherapieën voor de jaren 2000 tot en met 2008. 

In figuur 1 staat het aantal teletherapieën voor de jaren 2000 tot en met 2008. Hier valt op dat met name de T4 behandelingen zijn toegenomen en dat vanaf 2005 het aantal T2 behandelingen duidelijk afneemt. In figuur 2 is een zelfde overzicht voor de brachytherapieën (B1 t/m B5) te zien. Het totaal aantal brachytherapie behandelingen is iets gedaald ten opzichte van 2005.

De NVRO heeft er een aantal jaren geleden op gewezen dat het aantal patiënten zich ontwikkeld heeft volgens het zogenaamde kwaliteitsscenario (Gezondheidsraad, 1993), terwijl de capaciteitsuitbreiding nodig om deze extra patiënten te behandelen hierbij achterbleef (NVRO, 2000). Het Planningsbesluit Radiotherapie 2000 (VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport , 2000) heeft dan ook voorzien in een uitbreiding van de capaciteit van de radiotherapie in Nederland binnen de huidige 21 instellingen. Een groot deel van de capaciteitsuitbreiding heeft in de periode 2001-2005 plaatsgevonden (NVRO, 2007).Voor de jaren 2010 en 2015 is een raming gemaakt van de verwachte aantallen teletherapie en brachytherapie. Dit is weergegeven als T2 en B2 equivalente therapieën. Deze equivalenten zijn bepaald zoals aangegeven in het rapport 'Groei met kwaliteit in de Radiotherapie, een vooruitblik tot 2015' (NVRO, 2007)

Radiotherapeutische behandelingen zijn op meerdere manieren in te delen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren op basis van de plaats waar de tumor zich bevindt. Er kan ook een indeling gemaakt worden met als uitgangspunt of de behandeling curatief of palliatief van opzet is en een ander mogelijkheid is om te kijken of de aandoening die behandeld wordt maligne of benigne is. Sommige radiotherapeutische instellingen vermelden in hun jaarverslag uitgebreid gegevens over de verschillende indelingen. Hierbij moet worden opgemerkt dat niet altijd dezelfde omschrijvingen worden gebruikt bij de indelingen.